Belasting

Registratiebelasting

Artikel

Art. 631 W. Reg (tegenwoordig art. 2.9.4.2.4 VCF)

Art. 64 W.Reg. (tegenwoordig art. 2.9.4.2.5, §1, eerste lid VCF)

Voorwerp betwisting

Beroepspersoon – Geen wederverkoop gerealiseerd binnen de 10 jaar – Verlies bij wederverkoop maakt deze nog niet onmogelijk

Rechtbank of Hof

Rechtbank van eerste aanleg

Plaats

Afdeling Limburg, Hasselt

Rolnummer

AR 13/1309/A

Datum uitspraak

28/5/2015

Status

Definitief

 

Samenvatting

1. De feiten

De belastingplichtige is een beroepsverkoper van onroerende goederen in de zin van artikel 62 en art. 631 W. Reg (tegenwoordig art. 2.9.4.2.4 VCF). Zij was er niet in geslaagd een aantal onroerende goederen, waarop een verlaagd bedrag aan registratierechten werd betaald, te verkopen binnen een termijn van 10 jaar zoals voorgeschreven in artikel 64 W.Reg. (tegenwoordig art. 2.9.4.2.5, §1, eerste lid VCF)

De belastingplichtige verzocht de Rechtbank te zeggen voor recht dat zij nog geen bijkomende registratierechten alsook boete diende te betalen wegens de aanwezigheid van overmacht. Ondergeschikt verzocht zij de Rechtbank om een verlenging van de termijn van 10 jaar zoals bepaald in artikel 64 W.Reg.

2. Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Limburg, afdeling Hasselt dd. 28/05/2015

De Rechtbank oordeelt dat de belastingplichtige zich wel op overmacht kan beroepen, gezien dit een algemeen rechtsbeginsel is en derhalve ook van toepassing is op de fiscale wetgeving, doch is de rechtbank de mening toegedaan dat de belastingplichtige geen situatie van overmacht bewijst.

De Rechtbank meent dat de verkoop niet onmogelijk was. Geen van de door de belastingplichtige aangehaalde omstandigheden – zoals archeologisch onderzoek, stedenbouwkundige en bouwtechnische stappen die moesten worden gezet om het project te realiseren - verhinderen dat de betrokken onroerende goederen zouden worden verkocht. Dat zij mogelijks (grote) verliezen zou lijden bij de verkoop van de onroerende goederen maakt deze financieel onaantrekkelijk maar niet onmogelijk.

Eveneens was de Rechtbank van oordeel dat de elementen die door de belastingplichtige worden aangehaald teneinde haar overmachtssituatie te staven niet onvoorzienbaar zijn.

De belastingplichtige moet beseft hebben dat er nog heel wat stappen moesten worden gezet voor zij aan de eigenlijke bouwwerken begon. Zij heeft met die kennis ervoor gekozen om de goederen aan te kopen met toepassing van het gunsttarief van 5%, waarbij zij ook moest weten dat indien de termijn van 10 jaar niet gehaald werd, het gunsttarief niet langer gold.

Zij werd bijgevolg in het ongelijk gesteld en derhalve veroordeeld tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 2.200,00 euro aan het Vlaams Gewest.