Belasting

Onroerende voorheffing

Artikel

Art. 257, §2, 3° WIB92 (tegenwoordig art. 2.1.5.0.2, §1,3° VCF)

Voorwerp betwisting

Al dan niet vrijwillige overcapaciteit opslagruimtes

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Brussel

Rolnummer

2014/AF/43

Datum uitspraak

04/11/2015

Status

Definitief

 

Samenvatting

1. Feiten

De onderneming X is gespecialiseerd in het verhuren van ruimtes voor het opslaan van materialen (en dit zowel voor particulieren als professionelen).

Zij biedt zowel tijdelijke als permanente oplossingen voor meubelbewaring of opslag van andere spullen. De onderneming X vraagt de proportionele vermindering van onroerende voorheffing aan o.g.v. artikel 257, §2, 3° WIB (huidig artikel 2.1.5.0.2, §1, 3° VCF) voor een aantal opslageenheden die langer dan 90 dagen improductief zijn gebleven in het belaste aanslagjaar.

Aangezien er diverse geschillen werden aangespannen werd één zaak als testcase naar voor geschoven en verder behandeld door het gerecht.

2. Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 04.11.2015

Het hof van beroep te Brussel heeft op 4 november 2015 een negatief arrest geveld. Dit na doorverwijzing door het Hof van Cassatie in haar arrest van 19 september 2013.

Het hof oordeelt dat de improductiviteit van bepaalde opslagruimten is bewezen. Dat die improductiviteit gewild is door de onderneming is niet bewezen en wordt ook niet aannemelijk gemaakt.

Er kan worden aangenomen dat de onderneming, als handelsvennootschap, de wil heeft haar bedrijfsactiva zo te exploiteren dat zij haar opslagruimten maximaal doet bezetten. Dat zij daar niet in slaagt door haar eigen wil is niet aangetoond.

De stelling dat de onderneming vrijwillig en moedwillig een overcapaciteit creëert, kon niet worden vastgesteld. Er kan ook niet worden aangenomen dat zij een prijzenpolitiek hanteert die een totale bezetting van de ruimtes onmogelijk maakt.

De opslagruimtes moeten als eenheden afzonderlijk kunnen worden gekadastreerd (ook al zijn ze in werkelijkheid niet apart gekadastreerd). Uit de plannen blijkt dat de opslageenheden volledig onafhankelijk en afgezonderd van elkaar zijn. De opslageenheden hebben elk een eigen toegangsdeur en ieder kan afzonderlijk bereikt en betreden worden. De gemeenschappelijke nutsvoorzieningen doen geen afbreuk aan de vaststelling dat het om afzonderlijke opslagruimtes gaat. Elke huurder ontvangt een eigen sleutel en een gepersonaliseerde toegangscode.
Er is ook niet bewezen dat er bij de bepaling van het K.I. geen rekening werd gehouden met het inkomen voor een volledige bezettingsgraad van het pand.

De belastingplichtige heeft recht op een vermindering van 27,06 % van het K.I. van het pand.

Hiermee bevestigt het hof van Brussel het eerder arrest van het hof van beroep van Gent van 22/11/2011 waarin eveneens de ontheffing van de onroerende voorheffing werd bevolen, i.t.t. het vonnis van 17/03/2010 van de rechtbank van eerste aanleg.