Belasting

Registratiebelasting

Voorwerp betwisting

Verlies gunsttarief klein beschrijf

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep Oost-Vlaanderen

Plaats

afdeling Gent

Rolnummer

2016/AR/580

Datum uitspraak

12/09/2017

Status

definitief

 

Samenvatting

Bij notariële akte van 08/07/2011 kochten X en Y een aantal onroerende goederen aan nl. huis, weilanden en bouwland. Het kadastraal inkomen (KI) van het geheel was toen 234,00 euro. In de akte werd door de belastingplichtigen het verminderd registratierecht klein beschrijf (toepassing art. 53, 2° W. Reg. – thans art. 2.9.4.2.1, §1 VCF) gevraagd en verkregen.

Uit onderzoek bleek dat reeds voor de verkoop op 08/07/2011 op een van de weilanden door de vorige eigenaar een nieuwe woning was opgericht en in gebruik genomen. Ingevolge deze wijziging moest het KI van dat betrokken perceel herschat worden en moesten twee andere percelen verenigd worden. Aan het nieuw gevormd perceel werd een niet geïndexeerd KI toegekend van 1.475,00 eur. De KI’s van de andere percelen bleven ongewijzigd. Het herschat niet geïndexeerd KI van 1.475,00 eur werd betekend op 11/10/2013.

Daar het KI boven de 745 euro uitsteeg kon niet langer genoten worden van het klein beschrijf. Ten gevolge hiervan waren bijrechten en boete verschuldigd. Er werd een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaar werd deels afgewezen. Er werd geoordeeld dat enkel de bijrechten verschuldigd waren (en niet de boete). De belastingplichtige meent dat zij gerechtigd is op de toepassing van art. 53, 2° W. Reg. en dient een verzoekschrift in voor de rechtbank. De vordering wordt in eerste aanleg ongegrond verklaard. Het hof van beroep bevestigt het vonnis.

 

Het Hof van Beroep oordeelt als volgt:

 

a) Met betrekking tot de verjaring

Het hier toepasselijke artikel 214,7° W. Reg. bepaalt dat er verjaring is na 15 jaar van rechten en boeten verschuldigd buiten de in voorgaande nummers voorziene gevallen, met inbegrip van die welke betrekking hebben op veinzing, bewimpeling van prijs of al ander feit niet of onjuist vastgesteld in een geregistreerde akte, te rekenen van de dag waarop de rechtsvordering ontstaan is. De rechtsvordering is ontstaan bij het verlijden van de akte op 8 juli 2011. De navordering is aan de belastingplichtige ter kennis gebracht bij brief van 21 november 2013. De navordering van de rechten is niet verjaard.

De tweejarige verjaringstermijn, bepaald in art. 214, 1° W. Reg. (thans artikel 3.3.3.0.1. § 4/2 VCF), is hier niet toepasselijk omdat de oorzaak van de gevorderde rechten het gevolg zijn van een aanvullend onderzoek.

 

b) Met betrekking tot de discussie over het klein beschrijf

Artikel 473 WIB/1992 bepaalt dat de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van het goed, in deze titel belastingplichtige genoemd, ertoe gehouden is, uit eigen beweging, bij de administratie van het kadaster aan te geven:

  • de ingebruikneming of de verhuring, indien deze de ingebruikneming voorafgaat, van de nieuw opgerichte of herbouwde onroerende goederen;
  • de voltooiing van de werken aan de gewijzigde gebouwde onroerende goederen, de verandering in de wijze van exploitatie, de omvorming of de verbetering van ongebouwde onroerende goederen;
  • de ingebruikstelling van nieuw of toegevoegd materieel of outillage, alsook de wijziging of de definitieve buitengebruikstelling van materieel of outillage.

    De aangifte moet ingediend worden binnen dertig dagen volgend op de gebeurtenis.

Artikel 494, §1, 4° WIB/1992 voorziet dat de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, buiten de algemene perekwaties overgaat tot de schatting of de herschatting van het kadastraal inkomen van de onroerende goederen van alle aard, wanneer het ontbreken of de ontoereikendheid van de schatting voortvloeit uit het niet indienen van de in de artikelen 473 en 474 beoogde aangiften of onjuistheden die in deze aangiften voorkomen.

Deze bepaling beperkt de herschatting niet tot een bepaalde termijn na de datum waarop de aangifte moet ingediend zijn. De vaststelling dat de herschatting pas gebeurde na een zevental jaren na de verbouwing, doet geen afbreuk aan de geldigheid ervan, noch op zich aan de mogelijk rechtsgevolgen ervan.

Artikel 494, § 5 WIB/1992 bepaalt dat de uit een schatting of herschatting voortspruitende kadastrale inkomens geacht worden te bestaan vanaf de eerste dag van de maand die volgt op het feit waarvan de aangifte bij artikel 473 is voorgeschreven of op het einde van de vrijstelling wanneer de gestelde voorwaarden niet meer vervuld zijn.

De administratie van het kadaster heeft naar aanleiding van een onderzoek vastgesteld dat de gekochte woning een nieuwbouwwoning betreft waarvan de bouwwerken niet zijn aangegeven zoals verplicht door het voornoemde artikel 473 WIB/1992. De administratie kon het herziene kadastraal inkomen vaststellen op de datum van het voltooien van de opgetrokken nieuwbouw, namelijk op 1 oktober 2006. Uit het onderzoek van de administratie van het kadaster is kennelijk gebleken dat de werken voorafgaand aan 1 oktober 2006 zijn uitgevoerd.

De belastingplichtige bewijst niet dat ze conform artikel 499 WIB/1992 de specifieke bezwaar-procedure instelde tegen dit kadastraal inkomen, noch dat dit herschat kadastraal inkomen nadien (opnieuw) gewijzigd is. Het herschat kadastraal inkomen is met ingang van 1 oktober 2006 definitief vastgesteld.

Indien blijkt dat het kadastraal inkomen op het moment van de aankoopakte niet met de werkelijkheid strookt of niet overeenstemt met de staat van het verkregen goed op dat ogenblik moet rekening worden gehouden met het nieuw kadastraal inkomen. Het volstaat dat de reden voor de wijziging van het kadastraal inkomen bestond op de datum van de aankoopakte.

Voor zoveel als nodig wijst het hof op artikel 500 WIB 92 dat bepaalt dat geen geldig bezwaar tegen het kadastraal inkomen meer kan worden ingediend meer dan één jaar na de betaling der eerste onroerende voorheffing gevestigd op grondslag van het betwiste kadastraal inkomen.