Belasting

Registratiebelasting

Artikel

Art. 35 (thans art. 3.10.4.4.4 en 146 W. Reg (thans art. 2.8.1.0.2, §1, art. 2.9.1.0.6, §1, en art. 2.10.1.0.2, §1 VCF)

Voorwerp betwisting

Titelrecht verschuldigd door verkoper

Rechtbank of Hof

Hof van beroep

Plaats

Gent

Rolnummer

2016/AR/592

Datum uitspraak

19/09/2017

Status

Definitief

 

Samenvatting

De belastingplichtige, de NV Q, wou onroerende goederen verkopen aan de NV ABZ. Beide partijen sloten een schriftelijke overeenkomst inhoudende een aankoop/koopbelofte af. Hieruit kon de totstandkoming van een koop-verkoopovereenkomst worden afgeleid. De koper weigerde echter de onderhandse verkoopovereenkomst te ondertekenen en weigerde mee te werken aan een verdere uitvoering ervan.

Bij vonnis van de REA Gent dd. 18/01/2011 wordt de koper veroordeeld om medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële akte tot verkoop en tot betaling van de prijs van 338.000 EUR. Op dit vonnis is titelrecht verschuldigd van 10%, zijnde 33.380 EUR en veroordelingsrecht van 10.014 EUR. Het veroordelingsrecht wordt niet betwist door de belastingplichtige. Dit vonnis wordt bevestigd bij arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 11/09/2013.

De belastingplichtige werd door de FOD op de hoogte gesteld van de redenen waarom het titelrecht en het veroordelingsrecht op het geregistreerd vonnis geheven worden en niet enkel de koper maar ook de verkoper (belastingplichtige) tot betaling gehouden was.

Uiteindelijk wordt door de FOD Fin een dwangbevel uitgevaardigd waarop de belastingplichtige een verzoekschrift neerlegt.

De rechtbank van eerste aanleg oordeelde als volgt:

Art. 19,2° W. Reg. bepaalt dat, binnen de bij art. 32 gestelde termijnen, de akten waarbij de eigendom van in België gelegen onroerende goederen overgedragen of aangewezen wordt, moeten geregistreerd worden.

Wanneer er echter geen akte wordt opgesteld, ontslaat dit de partijen niet om tot registratie van de overdracht over te gaan. Art. 31, 1° legt immers de verplichting tot ondertekening en tot aanbieding ter registratie, binnen de bij art. 33 gestelde termijnen, van een verklaring op wanneer een overeenkomst, waarbij eigendom of vruchtgebruik van in België gelegen onroerende goederen overgedragen of aangewezen wordt, niet bij een akte is vastgesteld.  

Volgens de rechtbank berust overeenkomstig art. 35 W. Reg. (thans Art. 3.10.4.4.4 VCF) de verplichting tot aanbieding ter registratie van een akte houdende overdracht van onroerend goed of de in artikel 31 voorziene verklaringen ondeelbaar op de contracterende partijen (thans Art. 2.8.1.0.1, art. 2.9.1.0.1, art. 2.10.1.0.1 en art. 2.11.1.0.1 VCF) De belastingplichtige was in casu aldus in principe gehouden de in art. 31 W. Reg. voorziene verklaring af te leggen.

Wegens het uitblijven van enige medewerking aan de uitvoering van de koop-verkoopovereenkomst aan de kant van de koper, heeft de belastingplichtige een procedure tot gedwongen uitvoering van deze overeenkomst aangevat, aldus de rechtbank. In het voormeld vonnis, later bevestigd in een arrest, heeft de rechter gestatueerd dat tussen partijen effectief een koop-verkoopovereenkomst was tot stand gekomen en heeft hij de vordering van de belastingplichtige tot gedwongen uitvoering van deze overeenkomst ingewilligd.

Art. 146 W. Reg. (thans Art. 2.8.1.0.2, §1, art. 2.9.1.0.6, §1, en art. 2.10.1.0.2, §1 VCF) bepaalt dat de vonnissen en arresten die tot bewijs strekken van een overeenkomst waarbij eigendom of vruchtgebruik van in België gelegen onroerende goederen overgedragen of aangewezen wordt en welke aan de desbetreffende belasting niet onderworpen werd, aanleiding geven, onverminderd het door art. 142 vastgesteld recht, tot het recht en eventueel tot boete waaraan de overeenkomst zou onderworpen zijn indien zij in een minnelijke akte vastgesteld ware geweest.

Op het ter registratie voorgelegd vonnis waarin het bestaan van de koop-verkoopovereenkomst werd bevestigd, werd volgens de rechtbank aldus terecht de titelrechten en de boete wegens laattijdige aangifte aangerekend.

In graad van beroep laten de argumenten van de belastingplichtige zich samenvatten in het ontbreken van een daadwerkelijke realisatie van de verkoop en het nooit ontvangen hebben van de verkoopprijs. De belastingplichtige stelt dat de verkoopovereenkomst nooit daadwerkelijk werd gesloten en de verkoopovereenkomst niet diende te worden geregistreerd. Verder roept de belastingplichtige het ontbreken van een bodemattest in waardoor de eventuele verkoopovereenkomst nietig is. Bovendien meent de belastingplichtige dat moet worden aangenomen dat de overeenkomst van rechtswege ontbonden is omdat de koper het voorschot niet betaalde.

Het ontbreken van de eigendomsoverdracht leidt er volgens de belastingplichtige toe dat artikel 32, 4° W.Reg. niet toepasselijk is en de overeenkomst niet ter registratie diende te worden aangeboden.

De belastingplichtige meent dat het in eerste instantie ABZ nv toekomt eventuele rechten te betalen en niet blijkt dat Vlabel (FOD) daartoe enig initiatief nam.

Het hof stelt dat Vlabel (FOD) verklaart dat haar, zoals wettelijk bepaald, het voornoemde vonnis van 18 januari 2011 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent ter registratie is aangeboden. In dit vonnis wordt ABZ nv, optredend als koopster bij een verkoop van 9 juni 2009, veroordeeld tot de betaling aan de belastingplichtige van de prijs van 333.800,00 euro, meer de verwijlintresten, de gerechtelijke intresten en de kosten. Anders dan de belastingplichtige voorhoudt, blijkt volgens het hof uit de bewoordingen van dit vonnis dat er geen twijfel over kan bestaan dat tussen de belastingplichtige en ABZ nv een verkoopsovereenkomst tot stand kwam, zijnde dan ook de oorzaak van de veroordeling van ABZ nv tot betaling van de koopprijs. Dit vonnis is bevestigd bij arrest van 11 september 2013 van dit hof.

De argumentatie van de belastingplichtige gaat uit van de opvatting dat de registratierechten geheven worden op de overdracht, terwijl deze geheven worden als een titelrecht, namelijk op basis van het vonnis van 18 januari 2011 van de 14de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent. De grieven en middelen van de belastingplichtige strekkende tot de nietigheid of ontbinding van de verkoopovereenkomst, miskennen de voornoemde rechterlijke uitspraken, aldus het hof.

Het registratierecht op vonnissen en arresten is bepaald in de artikelen 142 tot 150 W.Reg. Deze bepalingen voorzien in twee soorten evenredige rechten op deze vonnissen en arresten, namelijk het veroordelingsrecht, voorzien in de artikelen 142 tot 145 W. en het titelrecht, voorzien in de artikelen 146 tot 148 W. Reg. Eenzelfde vonnis of arrest kan tegelijk aanleiding geven tot de heffing van deze beide rechten.

Overeenkomstig artikel 146 W.Reg. is op de overdracht een evenredig registratierecht van 10% als titelrecht verschuldigd. Het door artikel 146 W. Reg. vereiste bewijs veronderstelt dat de bewoordingen van de vonnissen of arresten het bestaan vaststellen van een overeenkomst waarbij eigendom of vruchtgebruik van in België gelegen onroerende goederen overgedragen of aangewezen wordt en dat de rechter, om het hem voorgelegde geschil te beslechten, uit deze overeenkomst al of een gedeelte van de uitwerksels afleidt die ze kan hebben of dat hij als gevolg van de wet opdracht kreeg er titel van te verlenen. Er kan geen twijfel over bestaan dat het voornoemde vonnis van 18 november 2011 de verkoopovereenkomst tussen de belastingplichtige en ABZ nv vaststelt. De voorwaarden voor de heffing van het titelrecht zijn voldaan en het evenredig registratierecht was nog niet geheven. De verkoopprijs bedraagt 333.800,00 euro waardoor een titelrecht verschuldigd is van 33.380,00 euro. De al dan niet overdracht van de eigendom is geen toepasselijk criterium voor de hier geheven rechten. Het hof besluit dat het titelrecht wordt geheven omwille van het bestaan van de koopverkoopovereenkomst, terwijl niet de overeenkomst maar wel het vonnis de aanleiding vormt voor de heffing van het recht, namelijk het titelrecht. De modaliteiten of uitvoering van de overeenkomst zelf hebben geen invloed op het verschuldigd zijn van het titelrecht. Zo op een vonnis of arrest verschuldigde rechten en boeten slaan op een overeenkomst waarbij de eigendom of het vruchtgebruik van in België gelegen onroerende goederen overgedragen of aangewezen wordt, zijn die rechten en boeten ondeelbaar verschuldigd door de personen die partijen bij de overeenkomst zijn geweest.

De administratie kan vrij beslissen over welke van de partijen zij voor de betaling van de rechten aanspreekt.