Belasting

Registratiebelasting

Artikel

Art. 131, §2, tweede lid W. Reg. en art. 2.7.1.0.3 VCF

Voorwerp betwisting

Algemeen vast recht of evenredig schenkingsrecht

Rechtbank of Hof

Rechtbank van eerste aanleg

Plaats

Gent

Rolnummer

16/3213/A

Datum uitspraak

06/10/2017

Status

definitief

 

Samenvatting

C., de moeder van de belastingplichtige, sloot een levensverzekeringsovereenkomst af voor een duurtijd van 50 jaar, waarbij zijzelf werd aangeduid als verzekeringnemer en als verzekerde.

Vervolgens gaf C. op authentieke wijze volmacht aan drie bij naam genoemde derden om voor haar en in haar naam volgende schenking te doen:

- met als begiftigde haar dochter (BP);

- met als voorwerp “alle rechten die de volmachtgever bezit uit hoofde van de polis afgesloten (…) bij ABN AMRO Life te Luxemburg”;

- met als modaliteit dat de schenking gebeurt in volle eigendom, op voorschot van erfdeel.

Nadien werd in een bijvoegsel bij de levensverzekeringsovereenkomst de begunstigingsclausule gewijzigd. Uit de nieuwe begunstigingsclausule blijkt dat C. zelf, in geval van leven bij afloop van de overeenkomst, de exclusieve begunstigde is van de levensverzekeringsprestatie. BP en ondergeschikt haar nalatenschap, werden aangeduid als begunstigde van de levensverzekeringsprestatie in geval van overlijden van C.

Bij notariële akte verleden op 14/04/2014, werd authenticiteit verleend aan de:

“neerlegging van een levensverzekeringspolis, aanduiding begunstigde en aanvaarding begunstigde met het oog op de heffing van registratierechten”.

De notariële akte vermeldt:

Neerlegging

Om voormelde redenen en met het oog op de onderwerping van deze aanstelling als begunstigde en de aanvaarding door de aangestelde begunstigde aan de heffing van de registratierechten overeenkomstig artikel 131, §2 van het Wetboek der Registratierechten (Vlaams Gewest), verzoeken comparanten ondergetekende notaris Charles DECKERS een kopie van voormelde polis met voormeld bijvoegsel (bijlage 2 en 3) neer te leggen onder de minuten van ondergetekende notaris Charles DECKERS. Partijen onderwerpen deze schenking door hun verklaring in deze akte aan de heffing van registratierechten aan het tarief van drie ten honderd (3 %)”.

Pro fisco werd de waarde van deze polis geschat op 1.851.000,00 EUR. Deze authentieke akte werd op 23/04/2014 ter registratie aangeboden. Er werd 55.530,00 EUR aan registratierechten op geïnd.

Bij aangetekende brief dd. 19/03/2015 vraagt BP ontheffing van de evenredige schenkbelasting. BP kadert haar verzoek in de artikelen 3.6.0.0.1. c.q. 3.5.2.0.1. VCF. BP is van oordeel dat niet het evenredig recht maar wel het algemeen vast recht van 50,00 EUR moest geheven zijn omdat de verplicht registreerbare Belgische notariële akte de aanvaarding van een begunstiging bij levensverzekering tot voorwerp had en het dus ging om een schenking onder opschortende voorwaarde c.q. opschortende termijn, welke onder de toepassing valt van art. 2.7.1.0.3., 3° VCF.

Vlabel wijst het verzoek af waarop BP de zaak aanhangig maakt bij de rechtbank.

 

a) Onderwerp geschil

In essentie gaat het om de vraag of op de registratie van de notariële akte van 14/04/2014 het vast recht van 50 EUR dan wel het evenredig schenkingsrecht van 3% verschuldigd was.

Volgens BP had de akte van 14/04/2014 louter de aanvaarding van een begunstiging bij levensverzekering tot voorwerp. Deze aanvaarding maakt volgens haar een onrechtstreekse schenking uit onder opschortende voorwaarde van overlijden van de schenker. De registratie van een dergelijke rechtshandeling zou, op grond van artikelen 16 (thans art. 2.8.7.0.2, §2, eerste lid VCF) en 131, §2, tweede lid van W.Reg. (thans art. 2.8.4.1.1, §2 VCF) enkel onderworpen worden aan het algemeen vast recht, en pas bij overlijden van de schenker aan de erfbelasting, overeenkomstig art. 2.7.1.0.3, 3° VCF onderworpen worden.

Het Vlaams Gewest stelt daar tegenover dat de akte van 14/04/2014 de rechtstreekse schenking van de uit de levensverzekeringspolis voortvloeiende rechten tot voorwerp heeft. Die schenking werd volgens het Vlaams Gewest niet gedaan onder enige opschortende voorwaarde (of termijn), zodat onmiddellijk het evenredig registratierecht verschuldigd werd overeenkomstig art. 131, §2 W. Reg.

 

b) Voorwerp van de notariële akte van 14/04/2014

De rechtbank is op basis van de bewoordingen van de notariële akte van 14/04/2014 van oordeel dat zij tot voorwerp heeft: de neerlegging van de kwestieuze levensverzekeringspolis en het bijvoegsel van 27/08/2013 onder de minuten van de notaris, de aanduiding van de begunstigde van deze polis en de aanvaarding van de begunstiging door de begunstigde. De bewoordingen zijn duidelijk.

De rechtbank stelt vast dat de akte bedingen bevat die niet stroken met het voorwerp van deze akte.

In de akte staan onder meer zogenaamde clausules pro fisco. Zo wordt verwezen naar de toepassing van art. 131, §2 W. Reg. en vermeldt de akte dat “[partijen] deze schenking door hun verklaring in deze akte (onderwerpen) aan de heffing van registratierechten aan het tarief van drie ten honderd”.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de fiscale bedingen opgenomen in de akte, het voorwerp daarvan niet bepalen. De fiscale wet, die onder meer bepaalt welke rechtshandelingen onder welke voorwaarden belastbaar zijn, is van openbare orde; partijen kunnen daarvan niet op rechtsgeldige wijze vrijwillig afwijken. Het is aldus noch de BP, noch de belastingadministratie toegelaten om de gestelde rechtshandeling te onderwerpen aan een belastingregime naar keuze, zonder dat de wet daartoe de nodige grondslag biedt.

De rechtbank ontwaart een discrepantie tussen het hogerop omschreven voorwerp van de authentieke volmacht van 02/05/2013 en dit van de notariële akte van 14/04/2014. Noch het voorwerp van deze volmacht noch de bedingen die in deze volmacht werden opgenomen, zijn evenwel van aard om het oordeel van de rechtbank omtrent het voorwerp van de notariële akte van 14/04/2014 te wijzigen. Een volmacht strekt er immers toe om aan een bepaalde persoon een bevoegdheid tot vertegenwoordiging toe te kennen, niet om het voorwerp van een daaropvolgende akte te bepalen.

Waar het Vlaams Gewest uit de notariële akte afleidt dat partijen de overdracht van (alle rechten voortvloeiende uit) de levensverzekeringspolis als dusdanig tot voorwerp heeft, kan zij niet worden gevolgd aldus de rechtbank. De akte maakt geen enkele melding van dergelijke overdracht. Uit niets blijkt dat BP ingevolge deze akte gerechtigd zou zijn om de rechten van de verzekeringnemer uit te oefenen. Integendeel, het voorwerp van de akte is duidelijk beperkt tot de neerlegging van de levensverzekeringspolis en het bijvoegsel, de aanduiding van de begunstigde van deze polis en de aanvaarding van de begunstiging.

In tegenstelling tot hetgeen het Vlaamse Gewest in besluiten voorhoudt, is het aanduiden van een begunstigde bij levensverzekering en het akteren van diens aanvaarding, geenszins gelijk te stellen met een overdracht, door de verzekeringnemer, van alle uit de levensverzekeringsovereenkomst voortvloeiende rechten.

Beide rechtshandelingen hebben een totaal andere finaliteit, aldus de rechtbank. Waar de eerste de onderlinge relatie tussen de verzekeringnemer en de begunstigde formaliseert, bepaalt de tweede wie de rechten van de verzekeringnemer (zoals destijds omschreven in de artikelen 106 tot en met 120 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst) uitoefent.

Door beide rechtshandelingen aan elkaar gelijk te stellen, miskent het Vlaamse Gewest volgens de rechtbank de eigenheid van de tripartite die gecreëerd wordt door een levensverzekeringsovereenkomst (verzekeringnemer, verzekerd hoofd en begunstigde) en van de afzonderlijke rechten die elke partij bij deze overeenkomst verkrijgt.

 

c) De kwalificatie van de rechtshandelingen vastgelegd in de notariële akte van 14/04/2014

De aanvaarding van de begunstiging om niet bij levensverzekeringscontract door BP, middels ondertekening van de gewijzigde begunstigingsclausule op 27/08/2013 en de bevestiging daarvan in de authentieke akte van 14/04/2014, brengt een onherroepelijke (onrechtstreekse) voorwaardelijke schenking tot stand.

Het bijvoegsel van 27/08/2013 tot wijziging van de begunstigingsclausule in de levensverzekeringsovereenkomst in kwestie bepaalt het volgende:

- Indien C. bij de afloop van de 50 jaar durende overeenkomst, dit is op 20/02/2047, nog in leven is, is zij de exclusieve begunstigde van de verzekeringsprestatie.

- Indien C. overlijdt vóór 20/02/2047 is de BP (of haar nalatenschap) de exclusieve begunstigde van de verzekeringsprestatie.

BP is dus enkel de exclusieve begunstigde van de verzekeringsprestatie op voorwaarde dat C. vóór 20/02/2047 overleden is.

Een verbintenis is aangegaan onder een opschortende voorwaarde wanneer de uitvoering ervan afhangt van een toekomstige en onzekere gebeurtenis of van een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad, maar aan partijen nog onbekend is (artikel 1181 BW). Bij een verbintenis onder opschortende voorwaarde is het onzeker of de schuldenaar uiteindelijk zal moeten presteren. De opeisbaarheid van de verbintenis onder opschortende voorwaarde hangt immers af van de verwezenlijking van de voorwaarde (zie ook Cass. 24 maart 2017, F.16.0067.N, op jure.juridat.just.fgov.be).

De aanduiding door C. van BP als begunstigde bij overlijden in het levensverzekeringscontract zoals aanvaard door BP, maakt een schenking onder opschortende voorwaarde uit. Bij de aanduiding van BP als begunstigde was het immers niet zeker of deze laatste de levensverzekeringsprestatie ooit zou kunnen opeisen. De opeisbaarheid van haar vordering hangt af van de voorwaarde dat C. vóór 20/02/2047 overleden is. Voordien heeft de aanduiding van BP als begunstigde geen uitwerking.

Waar het Vlaamse Gewest stelt dat er sprake is van een onvoorwaardelijke schenking omdat de onzekere gebeurtenis van het overlijden geen invloed heeft op de zekerheid dat BP sowieso het geld krijgt, gaat zij uit van een verkeerde lezing van het bijvoegsel van 27/08/2013, aldus de rechtbank.

 

d) De fiscale gevolgen van deze kwalificatie

Krachtens art. 16 W. Reg. zoals toepasselijk op het ogenblik van het registreren van de authentieke akte op 23/04/2014, geeft de rechtshandeling waarop het evenredig recht verschuldigd is, doch welke aan een schorsende voorwaarde onderworpen is, aanleiding tot heffing van het algemeen vast recht (50,00 EUR) zolang de voorwaarde niet is vervuld.

Art. 131, §2, tweede lid van W. Reg. zoals toepasselijk op het ogenblik van het registreren van de akte op 23/04/2014, sluit schenkingen onder levenden van roerende goederen onder de opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker (zoals omschreven in art. 4, 3° van W. Succ., thans artikel art. 2.7.1.0.3., 3° VCF), uit van de toepassing van het evenredig schenkingsrecht.

Krachtens art. 4, 3° W. Succ. zoals toepasselijk op het ogenblik van het registreren van de akte op 23/04/2014, worden dergelijke schenkingen geacht legaten te zijn. Zij worden derhalve in beginsel onderworpen aan successierechten.

Aangezien de schenking door C. aan BP onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, namelijk het overlijden van C. vóór 20/02/2047, gaf deze rechtshandeling, geakteerd in de notariële akte van 14/04/2014, bij registratie daarvan, slechts aanleiding tot betaling van het vast recht van 50,00 EUR.

De rechtbank stelt dat de vordering van de BP in die mate gegrond is.

Vlabel wordt veroordeeld tot terugbetaling van de betaalde registratierechten op de rechtshandeling geakteerd in de notariële akte van 14/04/2014 in de mate dat deze 50,00 EUR overschrijden, vermeerderd met de MRI’s tegen een rentevoet van 7% op jaarbasis berekend overeenkomstig art. 3.9.2.0.1 VCF vanaf 03/06/2016.