Belasting

Onroerende voorheffing 

Artikel

Artikel 517 BW

Voorwerp betwisting

Bowlingbanen – Beoordeling onroerend karakter

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Gent

Rolnummer

2016/AR/2063

Datum uitspraak

27/02/2018

Status

Definitief

 

Samenvatting

De belastingplichtige is eigenaar van een onroerend goed dat werd verhuurd aan een derde (vennootschap). In dit pand werden bij verbouwingen door deze huurder o.a. bowlingbanen geplaatst. De belastingplichtige (verhuurder) stelt dat ze geen eigenaar is van deze installaties.

De fysische incorporatie in de grond is door de evolutie van de bouwtechnieken niet langer een doorslaggevend criterium om te bepalen of een uitrusting al dan niet onroerend is van nature. Het kan volstaan dat de constructie door eigen gewicht of omvang bestemd is om ter plaatse te blijven ook al is een verplaatsing materieel niet absoluut onmogelijk en zelfs indien ze relatief eenvoudig uit elkaar kunnen worden genomen.

In de rechtspraak blijkt een evolutie waarbij de klassieke incorporatievereiste wordt verlaten en vervangen door een immobiliteitsvereiste, zoals bij campinghuisjes (Gent 17 mei 1966, T. Not., 1968, 108; Gent 16 maart 2000, TFR 2000, afl. 12, 650), stacaravans (Bergen 27 mei 1988, Fisc. Koer. 1988, 446), luifels boven een bezinepomp (Gent 21 december 1999, F.J.F. 2000, nr. 166 en Fisc. Act. 2000, afl. 6, 9) en een prefab-constructie op een staketsel in zee (Gent 7 mei 1997, Fisc. Act. 1998, afl. 20, 5).

Een bowlinginstallatie is op zichzelf geen gebouw maar wel een constructie die niet bestemd is om te worden verplaatst en bedoeld is om ter plaatse te blijven. Dit criterium moet worden onderscheiden van het functioneel criterium, namelijk zodat een uitrusting wegens haar (noodzakelijk) functioneren als onroerend van nature wordt aangemerkt. Naast het gegeven dat de eigenaar haar stelling niet aantoont, namelijk dat de bowlinginstallatie niet verbonden zou zijn met de grond, moet aangenomen worden dat bowlingbanen duurzaam en gewoonlijk met de grond en de wanden van het gebouw dienen verbonden te zijn al is het maar omwille van de stabiliteit en het beletten van het verschuiven van de bowlingbanen.

Het Vlaamse Gewest stelt met reden dat eveneens moet worden aangenomen dat alle onderdelen van een bowlinginstallatie samen een geheel uitmaken en functioneren; geen onderdeel heeft nut zonder samenwerking met de andere. De bowlingbanen zijn aangebracht met de bedoeling geruime tijd ter plaatse te blijven. De bowlingbanen zelf zijn duurzaam met de grond verbonden en als onroerend van nature aan te merken.

De beoordeling dat de bowlingbanen en bowlinginstallatie onroerend zijn van nature leidt ertoe dat het argument van de eigenaar van het gebouw, dat deze uitrusting haar niet toebehoort, niet van belang is. Anders dan bij het aanmerken van een goed als zijnde onroerend door bestemming, is er geen eenheid van patrimonium vereist om een uitrusting te kunnen aanmerken als zijnde onroerend van nature.