Belasting

Onroerende voorheffing

Artikel

Artikel 253, 3° WIB92 (huidig artikel 2.1.6.0.1, 3° VCF)

Voorwerp betwisting

Nationaal domeingoed: erfpachtrecht ten voordele van een private EVA =verlies van de hoedanigheid van nationaal domeingoed (1e voorwaarde)? 

Rechtbank of Hof

Hof van Cassatie

Plaats

 

Rolnummer

F.16.0141.N

Datum uitspraak

15 maart 2018

Status

Definitief

 

Samenvatting

De belastingplichtige is een vzw die opgericht is als een privaatrechtelijk extern verzelfstandigd agentschap (hierna: private EVA) overeenkomstig de artikelen 245-247 van het gemeentedecreet. Dit decreet biedt een gemeente de mogelijkheid bepaalde taken van gemeentelijk belang over te dragen aan andere instanties. Bij externe verzelfstandiging wordt een nieuwe rechtspersoon, in dit geval een vzw, opgericht.

De private EVA kreeg van de gemeente de opdracht om een kennis- en leercentrum te ontwikkelen en alle verplichtingen inzake bibliotheekwerking op zich te nemen. De gemeente kende de private EVA een erfpachtrecht toe op een onroerend goed dat eigendom is van de gemeente. Het gebouw werd door de private EVA ingericht als bibliotheek, er zijn ook leslokalen, studieruimtes en vergaderzalen voorzien.

Het is voor dit gebouw dat de private EVA, als erfpachter, een aanslag in de onroerende voorheffing ontvangt en betwist. Ze vraagt de vrijstelling van onroerende voorheffing omdat het onroerend goed bestemd zou zijn voor onderwijs en omdat het kwalificeert als een nationaal domeingoed (artikel 253, 3° WIB92, huidig artikel 2.1.6.0.1, 3° VCF). 

Zowel de eerste rechter als het Hof van Beroep oordeelde dat het onroerend goed niet bestemd is voor onderwijs aangezien er geen sprake is van concreet systematisch georganiseerd didactisch onderwijs.

Het Hof van Beroep oordeelt evenwel dat het onroerend goed kwalificeert als nationaal domeingoed en op die grond kan vrijgesteld worden. M.b.t. de eerste voorwaarde, de aard hebben van nationaal domeingoed, meent het Hof dat het onroerend goed de aard heeft van nationaal domeingoed omdat het in eigendom toebehoort aan de gemeente die het aangekocht heeft voor algemeen nut.

Wat de tweede voorwaarde betreft, op zichzelf niets opbrengen, stelt het Hof vast dat de activiteiten van de private EVA niet van commercieel of winstgevende aard zijn en dat zij geen winstoogmerk nastreeft. Ook de derde voorwaarde, het gebruik voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut acht het Hof vervuld. De bibliotheek en bijhorende lokalen zijn voor iedereen toegankelijk. De stadsbibliotheek voldoet aan de voorwaarden en principes van een openbare dienst.

VLABEL besloot, na gunstig cassatieadvies, om een voorziening tot cassatie in te stellen tegen dit arrest en dit op basis van volgende argumenten:

  • De toekenning van een in artikel 251 WIB (huidig art. 2.1.2.0.1 VCF) bepaald zakelijk recht (zoals erfpacht) aan een derde (d.i. een niet- overheid) leidt tot het verlies van de hoedanigheid van “nationaal domeingoed” aangezien deze derde, die door de toekenning van het zakelijk recht belastingplichtige is geworden, niet het statuut heeft van overheid. De toekenning van dergelijk zakelijk recht aan een niet-overheidsinstelling impliceert bovendien de wil om aan dat onroerend goed zijn openbare bestemming te ontnemen waardoor het gedesaffecteerd wordt.

Een private EVA is te beschouwen als een derde omdat ze een eigen rechtspersoonlijkheid heeft en dus niet onder die van de gemeente ressorteert. Het onroerend goed waarop de private EVA een erfpachtrecht heeft kan dan ook niet als een gemeentelijk onroerend goed beschouwd worden. Bovendien gaat het bij een private EVA niet om een openbare maar om een private rechtspersoon.

  • Door te oordelen dat de activiteiten van de private EVA niet van commercieel of winstgevende aard zijn en dat zij geen winstoogmerk nastreeft stelt het Hof van Beroep niet vast dat het onroerend goed op zichzelf niets opbrengt. Er wordt niet vastgesteld dat het onroerend goed ongeschikt is om het voorwerp te zijn van een privatief genot.

Het Hof van Cassatie volgt de zienswijze van VLABEL evenwel niet en bevestigt het arrest van het Hof van Beroep.

Het Hof wijst er op dat krachtens artikel 191 gemeentedecreet de gemeente, op voorwaarde van bijzondere en omstandige motivering, zakelijke rechten kan vestigen op openbare domeingoederen voor zover die rechten niet kennelijk onverenigbaar zijn met de bestemming van de goederen.

Een goed behoort tot het openbaar domein wanneer het door de bevoegde overheid uitdrukkelijk of stilzwijgend wordt bestemd voor het gebruik van allen of voor een openbare dienst. Het gebruik ervan mag geen afbreuk doen aan het recht van de overheid om het ten allen tijde volgens de behoeften en het belang van alle burgers te regelen en te vrijwaren.

Hieruit volgt dat een gemeente, via een private EVA onder de vorm van een vzw in de zin en onder de voorwaarden van het gemeentedecreet een openbaar domeingoed dat bestemd is voor het gebruik van allen kan bezwaren met een erfpacht voor zover daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan haar recht om ten allen tijde dat gebruik te regelen.

Het Hof van Cassatie oordeelt ook dat de appelrechters wel degelijk te kennen hebben gegeven dat de private EVA geen privatief genot heeft van de bibliotheek en dat de bibliotheek aldus op zichzelf niets opbrengt.