Belasting

Onroerende voorheffing 

Artikel

Artikel 253, 1° en 12, §1 WIB 92 (thans artikel 2.1.6.0.1., eerste lid, 1° VCF)

Voorwerp betwisting

Geen vrijstelling onroerende voorheffing voor een klooster op grond van de bestemming van het onroerend goed voor de openbare uitoefening van erediensten, als rusthuis of als soortgelijke weldadigheidsinstelling

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Gent

Rolnummer

2017/AR/119

Datum uitspraak

20/03/2018

Status

Definitief

 

Samenvatting

De belastingplichtige is eigenaar van een pand dat wordt aangewend als kapel en klooster voor de zusters, waarvan het merendeel op bejaarde leeftijd is. Er wordt een vrijstelling van de onroerende voorheffing gevorderd op grond van artikel 253, 1° jo. 12, §1 WIB 92 (thans art. 2.1.6.0.1, eerste lid, 1°).

 

1. Worden de andere delen van het onroerend goed dan de kapel ook bestemd voor de ‘openbare uitoefening van de eredienst’?

Het beschikken over huisvesting is een noodzaak die voor eenieder bestaat, welk beroep of activiteit hij ook uitoefent en staat los van enige uitoefening van de eredienst. De cruciale vraag is immers of het betreffende onroerend goed, namelijk het klooster, noodzakelijk is voor de uitoefening van de eredienst. Het klooster doet eigenlijk gewoon dienst als woongelegenheid en is zelf geen plaats waar de openbare eredienst of daarmee samenhangende activiteiten (met andere gelovigen) wordt uitgeoefend.

In essentie is het niet nodig om een eredienst te houden in een kapel of kerk en dat de bedienaars van de eredienst vlakbij wonen. De belastingplichtige toont dus niet aan dat de organisatie van de eredienst in de kapel geen andere keuze laat dan een woongelegenheid te hebben voor bepaalde van haar bedienaren, in het bijzonder de nog actieve zusters die in haar klooster wonen. Het beste bewijs daarvan is het feit dat de bedienaar die essentieel is voor de openbare uitoefening van de eredienst, namelijk de priester, niet in het klooster, maar zelfs niet in de nabijheid van het klooster woont.

De gevraagde vrijstelling van onroerende voorheffing wegens bestemming van het onroerend goed tot openbare uitoefening van een eredienst, kan dus niet worden verleend.

 

2. Kan het klooster worden vrijgesteld als ‘rusthuis’?

In een eerder arrest (Cass. 20 maart 2014) heeft het Hof van Cassatie reeds geoordeeld dat een rusthuis niet enkel de nodige infrastructuur vereist, doch ook de vereiste erkenningen. De belastingplichtige toont niet aan dat zij over de vereiste erkenningen als rusthuis beschikt. Dat het klooster niet enkel bejaarde zusters, maar ook andere bejaarden of zelfs familieleden van patiënten zou herbergen, wordt niet bewezen. Dat het personeel van de belastingplichtige onder het paritair comité voor de gezondheidsinrichtingen valt en dat ter motivatie van het juridisch advies in dat verband vermeld staat dat de term ‘rusthuis’ in zijn meest brede zin moet worden opgevat, kan niet doen besluiten dat het klooster van de belastingplichtige als een ‘rusthuis’ in de zin van artikel 12 §1 WIB 92 moet worden beschouwd.

 

3. Kan het klooster beschouwd worden als een ‘soortgelijke weldadigheidsinstelling’?

Wanneer het klooster niet in aanmerking komt voor de vrijstelling onroerende voorheffing als ‘rusthuis’, dan kan die vrijstelling niet worden toegekend op grond van de stelling dat het klooster een weldadigheidsinstelling is die ‘soortgelijk is als een rusthuis’.