Belasting

Onroerende voorheffing

Artikel

Artikel 257 §2, 3° WIB92 (huidig artikel 2.1.5.0.2 §1, 3° VCF) jo. artikel 15 §1, 1° WIB92

Voorwerp betwisting

Is proportionele vermindering van onroerende voorheffing in hoofde van de belastingplichtige mogelijk als het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een leasingovereenkomst?

Rechtbank of Hof

Hof van Cassatie

Plaats

 

Rolnummer

F.16.0026.N

Datum uitspraak

19 april 2018

Status

Verwijzing Hof van Beroep Antwerpen

 

Samenvatting

Belastingplichtige is erfpachter van een industrieel gebouw. Ze geeft dit gebouw in ruil voor periodieke vergoedingen in leasing aan een andere onderneming. Deze onderneming verhuurt het gebouw op haar beurt aan een derde.

Door de beëindiging van de huurovereenkomst tussen de leasingnemer en de huurder kwam het gebouw leeg te staan. Belastingplichtige (erfpachter en leasinggever van het gebouw) vraagt de proportionele vermindering van onroerende voorheffing.

De eerste rechter oordeelde dat de leasevergoedingen inkomsten vormen voor de belastingplichtige en er dus geen proportionele vermindering kan toegekend worden.

Het Hof van Beroep te Gent hervormde dit vonnis echter en kwam tot het besluit dat er wél een proportionele vermindering van onroerende voorheffing diende toegekend te worden. Volgens het Hof van Beroep kunnen de leasevergoedingen in het kader van een zuivere financieringshuur niet beschouwd worden als inkomsten van het onroerend goed zoals bedoeld in artikel 15, §1, 1° WIB 92 omdat zij dienen tot wedersamenstelling van het kapitaal.

Het verzoek tot proportionele vermindering van onroerende voorheffing m.b.t. een onroerend goed waarvoor een zuivere financieringshuur is aangegaan moet volgens het Hof van Beroep ook beoordeeld worden vanuit de vraag of het onroerend goed in hoofde van de diegene die door de leasingovereenkomst het gebruiksrecht had en er daardoor een inkomen uit kon verkrijgen met improductiviteit werd geconfronteerd.

VLABEL besloot een voorziening cassatie in te dienen tegen dit arrest om volgende redenen:

  • de proportionele vermindering dient beoordeeld te worden in hoofde van de belastingplichtige (in dit geval de erfpachter/leasinggever) en niet in hoofde van diegene die een gebruiksrecht heeft;
  • leasevergoedingen vormen inkomsten in de zin van artikel 15 §1, 1° WIB 92 waardoor er geen sprake kan zijn van improductiviteit

Het Hof van Cassatie stelt vast dat, conform artikel 251 WIB92 (thans Art. 2.1.2.0.1 VCF) en artikel 9 Erfpachtwet, de erfpachter de belastingplichtige is van de onroerende voorheffing die geheven wordt op het door hem in erfpacht gehouden onroerend goed. Vervolgens haalt het Hof de toepasselijke regelgeving voor proportionele vermindering van onroerende voorheffing aan (artikel 257 §2, 3° WIB92 en artikel 15 §1, 1° WIB92) (thans art. 2.1.5.0.2, §2 VCF). Hieruit volgt, aldus het Hof:

  • “dat de kwijtschelding of de proportionele vermindering van de onroerende voorheffing wordt verleend indien de belastingplichtige het niet-gemeubileerd gebouw in de loop van het jaar ten minste gedurende 90 dagen niet heeft gebruikt en indien de omstandigheid dat het in die periode geen inkomsten heeft opgebracht het gevolg is van redenen onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige”
  • “de mogelijkheid tot kwijtschelding of proportionele vermindering ingevolge improductiviteit moet worden beoordeeld in hoofde van de belastingplichtige zelf en niet in hoofde van diegene aan wie het goed wordt verhuurd of aan wie een gebruiksrecht wordt verleend in het raam van een overeenkomst van onroerende leasing”

Het Hof van Cassatie komt tot het besluit dat, indien de belastingplichtige, in het raam van een overeenkomst van onroerende leasing een gebruiksrecht toestaat aan een derde, het goed niet improductief is om redenen onafhankelijk van zijn wil.