Belasting

Inning en invordering

Artikel

Art. 2.1.2.0.1 VCF en art. 2.1.3.0.1 VCF

Voorwerp betwisting

Aandeel koper in de onroerende voorheffing

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Antwerpen

Rolnummer

2017/AR/561

Datum uitspraak

30/04/2018

Status

Definitief

 

Samenvatting

Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft zich op 30 april 2018 uitgesproken over een betwisting rond het aandeel in de onroerende voorheffing dat door de koper wordt betaald in het kader van een verkoop van een onroerend goed. Het standpunt van de Vlaamse Belastingdienst dat het aandeel in de onroerende voorheffing rechtstreeks moet worden doorgestort aan de Vlaamse Belastingdienst wordt niet bevestigd.

Het Hof heeft geoordeeld dat de notaris het pro rata gedeelte van de onroerende voorheffing dat door de koper werd betaald terecht heeft opgenomen in het te verdelen actief van de rangregeling en dit om volgende redenen:

  • De betaling van het aandeel in de onroerende voorheffing door de koper betreft de uitvoering van een loutere conventionele bepaling tussen koper en verkoper ingevolge de veilingvoorwaarden. De juridische oorzaak is de daartoe tot stand gekomen wilsovereenstemming op grond van een overeenkomst die wordt gesloten tussen koper en verkoper.
  • De koper kan niet worden beschouwd als een belastingplichtige overeenkomstig artikel 2.1.2.0.1 VCF.
  • De interesten, de kosten, de rechten, de erelonen of de andere bijkomende kosten, zoals opgenomen in artikel 1640 Ger.W., die de koper heeft betaald, vallen ook in het te verdelen actief van de rangregeling, tenzij de wet een recht van voorrang aangeeft. Door de toewijzing van het onroerend goed gaan de rechten van de ingeschreven schuldeisers, luidens artikel 1639 Ger.W., over op de prijs die de tegenwaarde vormt van het toegewezen goed. Het aandeel in de onroerende voorheffing dat werd betaald door de koper maakt deel uit van de verkoopprijs.
  • Er bestaat geen analogie tussen de onroerende voorheffing en de BTW. De BTW maakt geen deel uit van de verkoopprijs omdat de BTW de handeling belast volgend uit de vervreemding van het onroerend goed. Naar aanleiding van de vervreemding van het onroerend goed wordt de nieuwe eigenaar BTW belastingplichtige, maar de koper wordt geen belastingplichtige van de onroerende voorheffing omdat de koper op 1 januari van het aanslagjaar geen eigenaar is van het onroerend goed (cf. het tweede punt hierboven).

Bovendien stelt het Hof dat het Vlaamse Gewest geen zijdelingse vordering overeenkomstig artikel 1166 BW kan uitoefenen.