Belasting

Registratiebelasting

Artikel

Art. 3.17.0.0.2 VCF

Voorwerp betwisting

Inbreng eigen onroerende goederen man in gemeenschappelijk vermogen gevolgd door schenking beide echtgenoten aan kind

Rechtbank of Hof

Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen

Plaats

Afdeling Gent

Rolnummer

17/638/A

Datum uitspraak

29/05/2018

Status

Definitief

 

Samenvatting

Op 13 december 1972 verkreeg dhr. X de eigendom van een perceel grond bij schenking onder de levenden van zijn ouders. Op 21 mei 1984 bekwam dhr. X de eigendom van een appartement n.a.v. het overlijden van zijn tante.

Bij notariële akte van 14 juni 2013 beslisten dhr. X en zijn echtgenote mevr. Y om tot inbreng van beide voormelde onroerende goederen over te gaan in het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten.

Bij notariële akte van 25 maart 2016 schonken dhr. X en mevr. Y de blote eigendom van voormelde onroerende goederen aan hun dochter met voorbehoud van het vruchtgebruik met aangroei voor de langstlevende.

De schenkingsrechten werden berekend alsof de goederen volledig door dhr. X waren geschonken. De voorafgaande inbreng in het gemeenschappelijk vermogen werd niet tegenstelbaar verklaard aan de administratie na toepassing van de fiscale misbruikbepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF.

Artikel 3.17.0.0.2 VCF voorziet in een algemene antimisbruikbepaling. Deze bepaling is een bewijsmiddel van de administratie en betreft een systeem van bewijs en tegenbewijs. Het Grondwettelijk Hof heeft deze bepaling in haar arrest van 30 oktober 2013 (nr. 141/2013) getoetst aan het fiscale wettigheidsbeginsel en heeft de wijze waarop de antimisbruikbepaling moet worden toegepast, duidelijke uiteengezet. Het komt allereerst aan de administratie toe om aan te tonen dat de belastingplichtige een rechtshandeling, of een geheel van rechtshandelingen dat eenzelfde verrichting tot stand brengt, heeft gekozen die in tegenspraak is met de doelstellingen van een duidelijke geïdentificeerde fiscale bepaling en waarvan het doorslaggevende, zo niet exclusieve, motief erin bestaat de belasting te ontwijken. Vervolgens komt het de belastingplichtige toe om aan te tonen dat zijn keuze voor de betwiste verrichting door eventuele andere motieven dan het ontwijken van belastingen is verantwoord.

 

Omtrent de bewijslast te leveren door de administratie (eenheid van opzet)

Het lange tijdsverloop (40 en 29 jaar) tussen de verkrijging en de inbreng in het gemeenschappelijk vermogen alsook het ogenblik van de inbreng (wanneer de echtgenoten 71 j. resp. 67 j. waren), gecombineerd met de navolgende schenking (2 jaar en 9 maanden na de inbreng) doen vermoeden dat inbreng is gebeurd met het oog op latere schenking. Beide rechtshandelingen (inbreng gevolgd door schenking) brengen immers eenzelfde rechtshandeling tot stand, met name de schenking van de onroerende goederen naar het enige kind. De betwiste rechtshandelingen vallen dus binnen het toepassingsgebied van art. 3.17.0.0.2 VCF.

De betwiste verrichting is tevens in tegenspraak met de doelstellingen van een duidelijk geïdentificeerde fiscale bepaling. De doelstelling van de progressiviteit is duidelijk: hoe meer wordt geschonken, hoe hoger de tarieven. De betwiste verrichting strekt er ontegensprekelijk toe de belastingplichtige in staat te stellen aanspraak te maken op een gunstigere tariefberekening dan degene die hij zou hebben gehad na een rechtstreeks schenking door een ouder, en frustreert daarmee de doelstelling van de progressiviteit opgenomen in de artikelen 2.8.3.0.1, §1 en 2.8.4.1.1, §1-2 VCF.

De rechtbank besluit dat de administratie slaagt in de op haar rustende bewijslast.

 

Omtrent het tegenbewijs te leveren door de belastingplichtige.

Het komt de belastingplichtige toe om aan te tonen dat zijn keuze voor de betwiste verrichting door eventuele andere motieven dan het ontwijken van belastingen is verantwoord.

De belastingplichtige stelt dat haar ouders een leek zijn op juridisch vlak. Zij legt van deze bewering geen bewijs voor. Dit is ongeloofwaardig aangezien de goederen in 1972 en 1984 verworven werden middels tussenkomst van een notaris waarvan verwacht kan worden dat deze de eigen aard van de goederen heeft beklemtoond. Ook uit de leningsakte blijkt duidelijk dat het onroerend goed enkel eigendom is van dhr. X.

De als oneerlijke en onrechtvaardige bestempelde situatie waarbij de kosten van de onroerende goederen werden betaald met gemeenschapsgelden overtuigt niet. Niets belette de echtgenoten om reeds eerder over te gaan tot de inbreng van de onroerende goederen in de huwgemeenschap om de juridische realiteit in overeenstemming te brengen met de feitelijke realiteit. De onrechtvaardigheid kan eenvoudig worden rechtgezet bij de vereffening van het huwelijksvermogen en is van een dermate beperkt belang dat dit niet het werkelijk motief kan zijn voor de verrichting.

De rechtbank besluit dat de belastingplichtige faalt in de op haar rustende bewijslast. De administratie heeft terecht geen rekening gehouden met de voorafgaande inbreng in de huwgemeenschap teneinde het toepasselijk tarief op de schenking te bepalen.