Belasting

Registratiebelasting

Artikel

Art. 46bis Wb. Reg

Voorwerp betwisting

Abattement - Hoofdverblijfplaats niet gevestigd binnen de twee jaar - Ziekte vader en ziekte baby geen overmacht

Rechtbank of Hof

Rechtbank van eerste aanleg

Plaats

Oost-Vlaanderen, afdeling Gent

Rolnummer

17/232/A

Datum uitspraak

26/06/2018

Status

Definitief

 

Samenvatting

Twee belastingplichtigen kopen een onroerend goed elk voor de onverdeelde helft en genieten o.a. van het zogenaamde abattement  (artikel 46bis, derde lid W. Reg). De belastingplichtigen verzoeken dat de toepassing van het abattement verkregen blijft, nu de niet-nakoming van die voorwaarden (hoofdverblijfplaats op de plaats van de aangekochte woning vestigen) binnen de twee jaar het gevolg is van overmacht.

Er is sprake van overmacht in de zin van artikel 46bis, zesde lid W. Reg. wanneer het niet naleven van de vestigingsvoorwaarde die blijvend recht geeft op de toepassing van het verlaagde kooprecht, het gevolg is van onvoorzienbare en onafwendbare redenen onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige. Het moet gaan om een situatie waarin redelijkerwijze niet verwacht kan worden van de belastingplichtige dat hij voldoetIblijft voldoen aan de voorwaarden van vestiging omschreven in artikel 46bis W. Reg. De belastingplichtige draagt dienaangaande de bewijslast.

Uit de bijgebrachte stukken leidt de rechtbank af dat de belastingplichtigen een te renoveren oude woning kochten en daarin effectief gingen wonen na een twee en een half jaar van verbouwingen die de belastingplichtige zelf uitvoerde wanneer hij er tijd voor had (in het weekend). In die periode werden zij geconfronteerd met een aantal tegenslagen (ziekte van de vader van één van de belastingplichtigen en ziekte van hun baby). Hoewel de belastingplichtigen de ernst van de medische aandoeningen van de vader en de baby niet als dusdanig bewijzen en evenmin aantonen dat de vader betrokken zou worden bij de verbouwingswerken, kan de rechtbank aannemen dat de belastingplichtigen geconfronteerd werden met een aantal tegenslagen die de vooropgestelde verbouwingswerken beïnvloeden.

Daar staat evenwel tegenover dat twee jaar een ruime tijdspanne is om verbouwingswerken te realiseren en dat minstens de ziekte van vader zich voordeed bij de aanvang daarvan, zodat er nog ruime tijd was voor de belastingplichtigen om zich te organiseren met het oog op het naleven van de voorwaarden vermeld onder artikel 46bis W.Reg.

Wanneer de belastingplichtigen vaststelden dat zij de werken binnen het door artikel 46bis W.Reg. voorziene tijdsbestek zelf niet tot een goed einde konden brengen - ongeacht de redenen daartoe-, mocht redelijkerwijze van hen verwacht worden dat zij - indien zij blijvend wensten te genieten van het abattement - de nodige maatregelen zouden treffen om de verbouwingswerken in een sneller tempo te doen verlopen, dan wel gefaseerd, zodat zij de woning sneller konden betrekken. De belastingplichtigen kozen ervoor om de werken (vertraagd) zelf uit te voeren. Dit is hun eigen vrije keuze, ongetwijfeld ingegeven door tal van factoren. Die keuze kunnen zij redelijkerwijze niet op de belastingadministratie afwentelen. Naar het oordeel van de rechtbank bewijzen de belastingplichtigen de overmacht in hunnen hoofde niet afdoende.