Belasting

Registratiebelasting

Artikel

Artikel 140bis W.Reg. (thans art. 2.8.6.0.3 VCF), artikel 3.6.0.0.1 VCF

Voorwerp betwisting

Schenking van aandelen in familiale vennootschappen

Rechtbank of Hof

Rechtbank Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen / Hof van Beroep

Plaats

Afdeling Gent/Gent

Rolnummer

15/1535/A - 17/4003/A

Datum uitspraak

30/11/2016 – 9/10/2018

Status

Definitief

 

Samenvatting

Op 31 mei 2011 werd bij Nederlandse authentieke akte een schenking van aandelen in familiale vennootschappen verleden.

Op 3 juli 2012 werd de schenkingsakte neergelegd onder de minuten van een Belgische notaris.

Op 5 juli 2012 werd de Belgische akte ter registratie aangeboden. De schenkingsrechten a rato van 3% werden betaald.

Op 30 april 2014 dienen belastingplichtigen een aanvraag in tot het bekomen van het attest van de vrijstelling van schenkbelasting voor familiale ondernemingen en familiale vennootschappen. (art. 140bis W.Reg. thans 2.8.6.0.3 e.v. VCF). Op basis van het attest van de Vlaamse belastingdienst kan een vrijstelling van schenkbelasting voor de geschonken aandelen worden verleend. Met dat attest zou dan de betaalde 3% schenkbelasting vatbaar zijn voor teruggave (art. 209,7° W.Reg. thans opgeheven). Evenwel werd een negatieve beslissing tot verkrijgen van een attest bekomen.

De belastingplichtigen richten zich tot de rechtbank.

 

1. Vonnis Rechtbank Eerste aanleg te Gent dd. 30/11/2016
 

De belastingplichtigen vroegen op 30 april 2014 de vrijstelling van schenkingsrechten aan. Het Vlaams decreet bepaalt uitdrukkelijk 1 januari 2012 als datum van inwerkingtreding. In de memorie van toelichting bij het decreet wordt uitdrukkelijk gesteld dat “de nieuwe regelgeving in werking treedt op 1 januari 2012, zodat ook voor wat betreft art. 140bis Vl.W.Reg. het artikel maar van toepassing is op schenkingen die plaatsvinden vanaf die datum”.

De rechtbank leidt hieruit af dat de toepassing van het fiscale gunstregime voor schenkingsrechten van aandelen van familiale ondernemingen niet is toegestaan voor schenkingen vóór 1 januari 2012 hebben plaatsgevonden, zelfs niet indien zij pas na 1 januari 2012 ter registratie zouden worden aangeboden.

Gezien de schenking werd verricht op 31 mei 2011 beroepen belastingplichtigen zich tevergeefs op de toepassing van de fiscale gunstmaatregel. De vordering is ongegrond.

 

2. Arrest Hof van Beroep te Gent dd. 9/10/2018

 

In hoger beroep wordt dit vonnis bevestigd, maar op andere gronden.

Krachtens artikel 209,7° W. Reg. (thans opgeheven) zijn vatbaar voor teruggave:

“De rechten geheven omdat partijen in gebreke zijn gebleven het attest waarvan sprake in artikel 140ter bij te brengen zodat geen toepassing werd gemaakt van artikel 140bis, wanneer dit attest neergelegd wordt bij de ontvanger binnen de twee jaar na de betaling van de belasting.”

Het staat niet ter betwisting dat een attest niet werd neergelegd binnen de voormelde termijn (VLABEL oordeelde dat zij niet voldeden aan de voorwaarden). De belastingplichtigen konden ten laatste een attest neerleggen tot 5 juli 2014.

Belastingplichtigen wensen toepassing te maken van artikel 3.6.0.0.1 VCF ev. (ambtshalve ontheffing). Echter deze bepalingen treden pas in werking op 1 januari 2015, dit is nadat de verjaring van artikel 209,7° W. Reg. (thans opgeheven) reeds definitief was bereikt en vóór de bepalingen van de artikelen 3.6.0.0.1 VCF ev. in werking traden.

Een nieuwe regel is in de regel niet enkel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voortdoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten; hieruit volgt dat wanneer een vordering verjaard is volgens de oude wet, deze ook na de inwerkingtreding van de nieuwe verjaringswet verjaard blijft, ook al zou de vordering bij toepassing van de nieuwe wet nog niet verjaard zijn.

De wet is duidelijk: het is het attest dat dient te zijn neergelegd bij de ontvanger binnen een termijn van twee jaar. Het volstaat niet dat aanvraag van attest of indiening van bezwaar plaatsgrijpen binnen die termijn van twee jaar.

Belastingplichtigen stellen dat zij in de onmogelijkheid waren om binnen de voormelde termijn van twee jaar een positief attest in te dienen. Er moet vastgesteld worden dat de schenkingsrechten werden betaald op 5 juli 2012 en de belastingplichtigen pas een aanvraag tot attest indienen op 30 april 2014, dit is pas op iets meer dan twee maand vóór het verstrijken van de termijn van twee jaar, en het ook niet blijkt dat het hun niet mogelijk was dit attest vroeger aan te vragen, terwijl bovendien artikel 217² W. Reg. (thans opgeheven) voorziet in mogelijkheden tot stuiting van de verjaring waarvan niet blijkt dat de appellanten gebruik hebben gemaakt. Om diezelfde redenen kan er geen sprake zijn van overmacht.