Belasting

Onroerende voorheffing

Artikel

Artikel 2.1.6.0.1, 3° VCF (voorheen artikel 253, 3° WIB92)

Voorwerp betwisting

Nationaal domeingoed:
- onroerend goed mag op zichzelf niets opbrengen
- onroerend goed moet gebruikt worden voor een openbare dienst of een dienst van algemeen nut

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Gent

Rolnummer

2017/AR/1282

Datum uitspraak

20 november 2018

Status

Definitief

 

Samenvatting

De betwisting heeft betrekking op onroerende goederen die eigendom zijn van een stad: een perceel dat gebruikt wordt voor een wekelijkse specialiteitenmarkt en een aangrenzend perceel dat de marktkramers als parking kunnen gebruiken. Er wordt niet betwist dat de onroerende goederen de aard hebben van nationaal domeingoed, wel dat ze op zichzelf niets opbrengen en dat ze gebruikt worden voor een openbare dienst/algemeen nut.

Wat de voorwaarde ‘op zichzelf niets opbrengen betreft’ wijst het Hof van Beroep er op dat het onproductief zijn van het onroerend goed niets anders is dan de ongeschiktheid van het onroerend goed om het voorwerp te zijn van een privatief genot vanwege de openbare dienst die er eigenaar van is. Deze ongeschiktheid vloeit voort uit de bestemming die aan het onroerend goed wordt gegeven. Opdat een onroerend goed een productief karakter verkrijgt, volstaat het dat het onroerend goed op zichzelf iets opbrengt. De omstandigheid dat de belastingplichtige m.b.t. het onroerend goed kosten draagt die zijn opbrengst overstijgen, heeft niet tot gevolg dat het onroerend goed op zichzelf iets opbrengt (Cass. 24 maart 2017, F.16.0057.N).

Vervolgens stelt het Hof echter vast dat het feit dat drie marktkramers worden gemachtigd om de markt te gebruiken en deze marktkramers op grond van het gemeentelijk belastingreglement een belasting “houdende de standrechten op de markten” moeten betalen niet tot gevolg heeft dat deze belasting te beschouwen is als een opbrengst van de domeingoederen in kwestie, die dan als productief zouden moeten beschouwd worden. De belasting is immers geen tegenprestatie voor de terbeschikkingstelling van een standplaats, maar een belasting opgelegd door de gemeentelijke overheid om haar kosten te kunnen dekken. De onroerende goederen brengen op zichzelf niets op.

Met betrekking tot de voorwaarde ‘gebruik voor een openbare dienst/algemeen nut’ stelt het Hof vast dat de markt toegankelijk is voor het publiek in het algemeen en dus te beschouwen is als een dienst van algemeen nut. Dat niet alle verkopers, doch enkel die met een vergunning de site kunnen gebruiken wijzigt hier niets aan. Integendeel moet worden aangenomen dat een regeling voor het gebruik van markten in beginsel ook het algemeen belang dient. Het organiseren van de markt, evenals de organisatie van het verlenen van vergunningen aan marktkramers dient in beginsel het algemeen nut.

Hetzelfde geldt voor de parking, deze staat ten dienst van de organisatie van de markt. De marktkramers kunnen ze gebruiken om hun goederen tot aan hun standplaats te brengen en te lossen. Dit terwijl niets het publiek hindert om toegang te hebben tot dit perceel (zij het zonder autovoertuig). Hierbij moet toch worden overwogen dat de onmogelijkheid toegang te hebben tot een openbare plaats met een autovoertuig de publieke toegankelijkheid met andere middelen niet belet (bv. verkeersvrije of verkeersluwe stadscentra).

Gezien alle voorwaarden vervuld zijn kent het Hof de vrijstelling wegens nationaal domeingoed toe.