Belasting

Registratiebelasting

Artikel

Art. 61³ W. Reg. (thans art. 2.9.5.0.1 en art. 3.12.3.0.1, §1, 4° VCF) en 614 W. Reg. (thans Art. 2.9.5.0.2 en art. 3.12.3.0.1, §1, 3° en 4°, en §4, laatste lid)

Voorwerp betwisting

Meeneembaarheid - woning of bouwgrond - overmacht - onredelijke vertragingen die vreemd zijn aan de BP waartegen hij zich met alle beschikbare middelen verzet

Rechtbank of Hof

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen

Plaats

Afdeling Gent

Rolnummer

17/4003/A

Datum uitspraak

4 december 2018

Status

Definitief

 

Samenvatting

 

Een belastingplichtige kocht met zijn partner in onverdeeldheid een onroerend goed aan. De akte werd geregistreerd op 22 oktober 2012.

Op grond van de artikelen 61³ Wb. Reg. genoot belastingplichtige de meeneembaarheid van eerder betaalde registratierechten.

Vervolgens vestigde de Vlaamse Belastingdienst lastens belastingplichtige een aanslag in de registratiebelasting), omdat belastingplichtige niet had voldaan aan de verplichting om zijn hoofdverblijfplaats te vestigen op het adres van het verkregen goed binnen de twee jaar na de datum van registratie van de aankoopakte (tweejarige termijn die geldt voor de meeneembaarheid van de registratierechten ingeval het onroerend goed een woning betreft (artikel 614, 3°, b) W. Reg., inmiddels opgenomen in artikel 2.9.5.0.2., 3° VCF).

Belastingplichtige tekende bezwaar aan tegen deze aanslag en beriep zich op overmacht wegens renovatiewerken. Op 29 augustus 2017 meldde de Vlaamse Belastingdienst dat de ingeroepen overmacht niet voorhanden was, zodat het bezwaar van belastingplichtige niet ingewilligd kon worden.

 

Over de toepasselijke termijn

Op grond van de artikelen 61³ en 614, 3°, b) W. Reg. is aan de meeneembaarheid van de registratierechten de voorwaarde verbonden dat de natuurlijke persoon zijn hoofdverblijfplaats vestigt op de plaats van het nieuw aangekochte goed binnen een welbepaalde termijn na de registratie van de koopakte. lndien het aangekochte onroerend goed een woning is, betreft deze termijn twee jaar. lndien het aangekochte onroerend goed een bouwgrond is, betreft deze termijn vijf jaar.

Een woning is een plaats die vatbaar is voor bewoning, hetzij dadelijk, hetzij mits normale herstellings- of onderhoudswerken. De hoedanigheid van woning wordt beoordeeld op het moment van de aankoop. De omstandigheid dat men die woning snel daarna afbreekt om vervolgens te herbouwen brengt niet met zich mee dat men een bouwgrond zou hebben aangekocht.

 

De ingeroepen overmacht

Uit de door belastingplichtige bijgebrachte stukken blijkt dat door belastingplichtige niet getalmd werd tijdens de verschillende (administratieve en operationele) fases van het project en dat hij samen met zijn partner de door hen aangestelden opvolgde.

Belastingplichtige haalt in besluiten verschillende omstandigheden aan die het hem onmogelijk maakten om zijn hoofdverblijfplaats tijdig te vestigen in het betrokken onroerend goed.

In het licht van de in het vonnis beschreven omstandigheden (het uitblijven van een lastenboek na het goedkeuren van de bouwvergunning wat werd aangekaart bij de architect en waarvoor facturen betwist werden, het niet-afwerken van de renovatiewerken door de aangestelde aannemer die twee maal in gebreke werd gesteld) is de rechtbank van oordeel dat de onredelijke vertragingen die worden opgelopen bij de renovatie van de woning, gebeurden buiten de wil van belastingplichtige. Hij verzorgde een goede opvolging van het project en nergens blijkt dat deze vertragingen hem toe te schrijven zijn. In de gegeven omstandigheden had belastingplichtige geen mogelijkheden om het bouwproces te versnellen. Het aanstellen van een nieuwe architect of een nieuwe aannemer nadat werd vastgesteld dat de initieel aangestelde partij (overmatig) talmde had geen soelaas gebracht. lmmers, een nieuwe contractspartij zou het dossier opnieuw moeten instuderen hebben en de overdracht van het project had geregeld moeten worden. De vereiste tijdswinst zou dit niet opgeleverd hebben.

VLABEL stelt niet onterecht dat belastingplichtige moet instaan voor de daden van de personen die hij aanstelt, waaronder de architect en de aannemer. Deze vaststelling belet niet dat belastingplichtige ter zake door de betrokken aangestelden in een situatie gedwongen werd waardoor in redelijkheid niet van hem verwacht kon worden dat hij de door de wet vooropgestelde timing respecteerde.