Belasting

Onroerende voorheffing 

Artikel

Artikel 253, 1° WIB/92 (thans artikel 2.1.6.0.1, 1° VCF)

Voorwerp betwisting

Soortgelijke weldadigheidsinstellingen - impact arrest Grondwettelijk Hof - interbedrijfsgeneeskundige dienst

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Gent

Rolnummer

2016/AR/1297

Datum uitspraak

12 maart 2019

Status

Voorlopig

 

Samenvatting

De belastingplichtige is een vzw opgericht met als centrale doelstelling: het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Teneinde haar doelstelling van de bescherming van de werknemers te bereiken, verzekert de vereniging een medisch toezicht op de werknemers door middel van een interbedrijfsgeneeskundige dienst.

De activiteiten van belastingplichtige zijn, activiteiten van ‘sanitaire voogdij over de werknemers’ bestaande in preventieve zorgen, meestal georganiseerd in gezondheidscentra.

De omschrijving van de instellingen die voor vrijstelling in aanmerking komen dient restrictief geïnterpreteerd te worden. Het betreft instellingen die soortgelijk zijn aan hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden. Met soortgelijke weldadigheidsinstellingen worden de instellingen bedoeld die op eender welke wijze fysieke of geestelijke zorg verstrekken (Cass., 24 mei 2012, Nr. C.11.0492.N, zie ook Cass., 24 april 2015, AR F.14.0121.N, Arr. Cass. 2015, afl. 4, 1081, concl. THIJS, D.).

Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest van 29 maart 2018 met nummer 2018/44 (onder meer) het volgende geoordeeld:

“B.3.1. In de interpretatie van de verwijzende rechter, volgens welke « soortgelijke weldadigheidsinstellingen » enkel de instellingen zijn die fysieke of geestelijke zorg verstrekken en niet de instellingen die andere zorg dan fysieke of geestelijke zorg verstrekken, is de vrijstelling van de onroerende voorheffing gegrond op een criterium dat niet in verband staat met de doelstelling van de vrijstelling die erin bestaat de onbaatzuchtige opvang van hulpbehoevenden aan te moedigen door de onroerende goederen die daartoe worden aangewend, fiscaal te begunstigen.

B.3.2. In die interpretatie is artikel 12, § 1, van het WIB 1992 niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.4.1. De in het geding zijnde bepaling kan evenwel ook op een andere wijze worden geïnterpreteerd volgens welke de instellingen waar, zonder winstoogmerk, andere zorg dan fysieke of geestelijke zorg aan hulpbehoevenden wordt verstrekt, als soortgelijke weldadigheidsinstellingen in de zin van artikel 253 van het WIB 1992 kunnen worden beschouwd.”

De eventuele interpretatie of toepassing van die voorwaarde ten aanzien van “vakantiehuizen voor kinderen” is voor deze zaak niet dienend en doet geen afbreuk aan de vaststelling dat uit het voornoemde arrest van het Grondwettelijk Hof volgt dat de kernvoorwaarde het verstrekken van zorg aan hulpbehoevenden is.

De belastingplichtige is een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk. Ze verstrekt aan bedrijven en organisaties professionele begeleiding bij het beheer van hun preventiebeleid, geeft opleidingen en stelt prestaties voor om het welzijn van de werknemers te verbeteren, vooral op vlak van gezondheidstoezicht en risicobeheer.

Artikel 4 van de statuten van de belastingplichtige voorziet dat de vereniging haar diensten ter beschikking stelt ten voordele van de werkgevers.

Het ondervragen of het toedienen van vaccins en het onderzoeken, is niet te vereenzelvigen met het behandelen van patiënten, noch het verstrekken van zorg aan hulpbehoevenden. De belastingplichtige verstrekt deze diensten louter preventief.

De belastingplichtige toont niet aan dat de werknemers die bij haar op controle komen hulpbehoevend zijn. De werknemers worden naar de belastingplichtige gestuurd voor een medisch onderzoek. Ze verricht een medische controle zonder het toedienen van fysieke of geestelijke zorg.

Ook de diensten van de belastingplichtige met het oog op het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en alle andere preventiemaatregelen en activiteiten, hebben op zich niets te maken met weldadigheid en zorg aan hulpbehoevenden. De afwezigheid van deze essentiële elementen leidden tot de conclusie dat de belastingplichtige niet kan worden aangemerkt als een dispensarium of een soortgelijke weldadigheidsinstelling, zoals bedoeld in artikel 12 WIB/1992.