Belasting

Registratiebelasting

Artikel

Art. 3.3.4.0.1 en art. 3.5.2.0.1 VCF

Voorwerp betwisting

Versturen aanslagbiljet naar laatst gekende adres voor Vlabel, aanvangsdatum bezwaartermijn

Rechtbank of Hof

Rechtbank Eerste Aanleg Oost - Vlaanderen

Plaats

Afdeling Gent

Rolnummer

18/135/A

Datum uitspraak

12/06/2019

Status

Definitief

 

Samenvatting

Op 14 juni 2004 koopt belastingplichtige een woning te Kortessem. Hij vraagt toepassing van het abattement overeenkomstig het toenmalig geldend artikel 46bis W.Reg Vl.Gewest (oud artikel 2.9.3.0.2 VCF). Een van de voorwaarden om te voldoen aan het abattement is dat de belastingplichtige zijn hoofdverblijfplaats in het betrokken onroerend goed moet nemen binnen de tweejarige termijn die van toepassing is inzake het abattement.

Deze periode verstreek op 28 juni 2006.

Op 21 oktober 2013 laat belastingplichtige zich, wegens vertrek naar het buitenland, afschrijven. Hij laat opnemen dat hij vertrekt naar Duitsland met opgave van een welbepaald adres in Keulen.

Op 18 maart 2016 verstuurt Vlabel een aanslagbiljet wegens niet voldoen voorwaarden abattement.

Dit wordt gericht naar het adres te Kortessem.

Op 17 mei 2016 wordt een tweede aanslagbiljet naar belastingplichtige verzonden naar het adres te Duitsland.

Een herinneringsbrief wordt naar dit laatste adres verzonden op 9 september 2016.

Op 3 november 2016 wordt een tweede herinneringsbrief verzonden naar een adres te Borgloon.

Op 12 mei 2017 werd een laatste herinnering verzonden naar een ander adres te Borgloon.

Op 23 mei 2017 dient belastingplichtige een bezwaarschrift in waarin wordt uiteengezet dat zijn echtgenote in de betrokken woning zou zijn gedomicilieerd en dat de woning wegens financiële problemen werd verkocht in 2007.

Op 13 oktober 2017 werd het bezwaar van belastingplichtige als onontvankelijk afgewezen. Ook werd door Vlabel na heen en weer correspondentie met de advocaat van belastingplichtige besloten dat er geen redenen zijn om ambtshalve ontheffing te verlenen.

Belastingplichtige richtte daarop een verzoekschrift tot de rechtbank.

Artikel 3.3.4.0.1 VCF bepaalt dat zodra de kohieren uitvoerbaar verklaard zijn, aan de betrokken belastingschuldigen een aanslagbiljet wordt gezonden. Maar er wordt niet gepreciseerd aan welk adres, zodat het aanslagbiljet niet noodzakelijk aan de woonplaats moet worden toegezonden.

In casu wordt vastgesteld dat de administratie op het ogenblik van het verzenden van het aanslagbiljet enkel beschikte over het adres van de belastingschuldige, zoals bleek uit de notariële akte en na opvraging, van een adres in Duitsland naar waar belastingplichtige zich had uitgeschreven. Geen enkele wetsbepaling of algemeen rechtsbeginsel legt aan de administratie op, alvorens het aanslagbiljet te sturen, opzoekingen te doen om na te gaan of het haar aldus bekende adres nog altijd juist is. De rechtbank stelt dat de belastingadministratie derhalve het aanslagbiljet mocht toesturen naar het haar bekende adres.

De rechtbank stelt dat de verzending van het aanslagbiljet op 17 mei 2016 door de belastingadministratie aldus regelmatig is. De verzendingsdatum kan dan ook als uitgangspunt voor de berekening van de bezwaartermijn worden gebruikt.

Indien de belastingplichtige zijn adres had gewijzigd, behoorde het hem de nodige maatregelen te nemen opdat het aanslagbiljet hem zou bereiken. Hij kon de administratie van zijn adreswijziging op de hoogte brengen of zijn post door de postdiensten laten doorsturen.

Artikel 3.5.2.0.1 VCF bepaalt dat de bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden na de derde werkdag die volgt op de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet. De termijn is een vervaltermijn die door de rechter niet kan worden gewijzigd.

De belastingplichtige diende het bezwaarschrift laattijdig in.

Een vordering voor de fiscale rechtbank is slechts ontvankelijk indien vooraf het verplicht administratief beroep werd ingesteld. In deze betekent dit dat de belastingplichtige vooraf de bezwaarprocedure moet doorlopen hebben. Doordat het bezwaar wegens laattijdige indiening onontvankelijk werd verklaard, heeft de belastingplichtige de bezwaarprocedure niet regelmatig doorlopen.

De rechtbank besluit daarom dat de vordering van belastingplichtige ontoelaatbaar is.