Belasting

Inning en invordering

Artikel

Art. 82, eerste lid, Faill.W.

Voorwerp betwisting

Sluiting van een faillissement - schulden van de massa verder invorderen na de verschoonbaarheid van de gefailleerde.

Onbevoegdheid van de Beslagrechter om te oordelen over de vraag tot het toekennen van afbetalingsfaciliteiten

Rechtbank of Hof

Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen

Plaats

Afdeling Kortrijk

Rolnummer

18/1904/A

Datum uitspraak

24 juni 2019

Status

Definitief

 

Sluiting van een faillissement - schulden van de massa verder invorderen na de verschoonbaarheid van de gefailleerde

Onbevoegdheid van de beslagrechter om te oordelen over de vraag tot het toekennen van afbetalingsfaciliteiten

 
Samenvatting

Op 06/09/2012 werd eiser failliet verklaard. Het faillissement werd afgesloten bij gebrek aan actief op 08/11/2017 en eiser werd verschoonbaar verklaard. De Vlaamse Belastingdienst beschouwt de onroerende voorheffing voor aanslagjaar 2014 als een schuld van de massa en deze belasting wordt verder ingevorderd na de sluiting van het faillissement.

Eiser heeft zich verzet tegen een uitvoerend beslag op roerende goederen d.d. 03/07/2018 en verzoekt de rechtbank om niet over te gaan tot de openbare verkoop van de roerende goederen die in beslag werden genomen.

De rechtbank bevestigt het standpunt van de Vlaamse Belastingdienst en stelt dat de onroerende voorheffing voor aanslagjaar 2014 die ontstaan is na het vonnis van faillietverklaring een schuld van de massa is en schulden van de massa vallen niet onder de verklaring van verschoonbaarheid. Eiser is gehouden om de onroerende voorheffing voor aanslagjaar 2014 te betalen.

De opening van het faillissement had tot gevolg dat eiser het beheer over al zijn goederen verloor, maar eiser bleef eigenaar van het onroerend goed. De curator geniet geen enkel zakelijk recht op het onroerend goed van eiser.

Eiser heeft aan de rechtbank gevraagd om de schuld af te betalen a rato van 100,00 EUR per maand. De Beslagrechter heeft geoordeeld dat de vraag tot het toekennen van afbetalingsfaciliteiten geen beoordeling van de rechtmatigheid of de regelmatigheid van het beslag betreft. Bijgevolg is de Beslagrechter niet bevoegd om te oordelen over de vraag tot het toekennen van afbetalingsfaciliteiten, maar komt het aan de administratie toe om afbetalingsfaciliteiten toe te staan.

Het verzet wordt voor het overige ontvankelijk, doch ongegrond verklaard.