Belasting

Inning en invordering

Artikel

Artikel 3.10.3.2.1 VCF / artikel 2.9.4.2.1 VCF

Voorwerp betwisting

Bevoegdheid beslagrechter – Foutieve vermeldingen dwangbevel – Nietigheid – Verjaring

Rechtbank of Hof

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen

Plaats

Dendermonde

Rolnummer

18/2616/A en 18/3211/A

Datum uitspraak

22 oktober 2019

Status

Definitief


Samenvatting

Belastingplichtige koopt een woning aan met het klein beschrijf (voorheen art. 2.9.4.2.1 VCF) en neemt zijn inschrijving op het adres van de aangekochte woning. De woning wordt evenwel na bijna twee jaar opnieuw verkocht. Er volgt een aanslagbiljet voor navordering wegens het niet voldoen van de voorwaarden klein beschrijf. Er wordt geen bezwaar ingediend.

Na het uitblijven van betaling en verschillende betalingsherinneringen wordt een dwangschrift opgemaakt en een dwangbevel wordt kort nadien betekend.

Belastingplichtige tekent bij dagvaarding verzet aan tegen het dwangbevel bij de beslagrechter.

Enige tijd later laat VLABEL een vervangend dwangbevel betekenen aan belastingplichtige gezien deze in de dagvaarding de nietigheid van het eerste dwangbevel had aangevoerd. Belastingplichtige tekent bij dagvaarding opnieuw verzet aan bij dezelfde beslagrechter.

Beide zaken betreffen de invordering door VLABEL van hetzelfde kohierartikel ten laste van de belastingplichtige. Het gaat om dezelfde registratiebelasting met klein beschrijf van de woning van belastingplichtige. Er werden nagenoeg identieke conclusies in beide zaken neergelegd ter griffie zodat de beslagrechter beide zaken samenvoegt op grond van samenhang.

Vooraleer de middelen inhoudelijk te beoordelen is het aangewezen om de beoordelingsmacht van de beslagrechter te kaderen.

De beslagrechter neemt kennis van de geschillen betreffende de tenuitvoerlegging (artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek). Een kohier of een fiscaal dwangbevel zijn uitvoerbare akten. De beslagrechter kan de regelmatigheid van een beslag of een andere daad van tenuitvoerlegging krachtens zulk een akte beoordelen. Hij is echter niet bevoegd om zich uit te spreken over het al dan niet verschuldigd zijn van belastingen. Hij kan ook geen kennis nemen van middelen die de aanslag betreffen en die losstaan van de uitvoerbaarheid van het kohier.

De beslagrechter kan enkel de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging toetsen. De beslagrechter die kennisneemt van het verzet tegen een bevel dat betekend werd ter invordering van een belasting, treedt zijn bevoegdheid te buiten wanneer hij het aanslagbiljet waarin de belasting wordt vastgesteld, nietig verklaart. De beslagrechter kan evenmin de uitvoerbaarheid van een dwangbevel opschorten.

Inzake het eerste dwangbevel

Belastingplichtige voert aan dat dit dwangbevel nietig is gezien dit werd betekend op verzoek van ‘het Vlaams Ministerie van Financiën en Begroting, Agentschap Vlaamse Belastingdienst, Centrale invorderingscel… handelend voor rekening van het Vlaams Promotiecentrum voor Agro-en Visserijmarketing …” en het dwangbevel verwijst naar een “dwangschrift uitgevaardigd op 00/00/0000”. Volgens belastingplichtige is dit in strijd met artikel 3.10.3.2.1 VCF waardoor het dwangbevel nietig is.
De beslagrechter kan belastingplichtige niet bijtreden.

Artikel 3.10.3.2.1 VCF schrijft geen vermeldingen voor op straffe van nietigheid. Aangezien de door belastingplichtige ingeroepen wettelijke bepaling geen nietigheidssanctie voorziet, kan de beslagrechter het dwangbevel op die basis niet nietig verklaren.

De beslagrechter merkt op dat samen met dit dwangbevel een eensluidend afschrift van het dwangschrift werd mee betekend. Dit dwangschrift gaat uit van het ‘Vlaams Gewest, Vlaams Ministerie van Financiën en Begroting’ en bevat alle details in verband met de ingevorderde belasting, waaronder het kohierartikel, het artikelnummer, de aard van de heffing, het aanslagjaar, het ingekohierde bedrag en de datum van uitvoerbaarverklaring. Ook het kohieruittreksel werd mee betekend.
Alle noodzakelijke gegevens werden dus aan belastingplichtige ter kennis gebracht met de betekening van het dwangbevel.

Belastingplichtige vordert ook het kohierartikel en het dwangschrift nietig en van generlei waarde te verklaren, minstens om de tenuitvoerlegging ervan op te schorten. Zoals hoger uiteengezet behoort het niet aan de beslagrechter om het kohier of het dwangschrift nietig te verklaren of de opschorting ervan te bevelen.

Inzake de verjaring registratiebelasting en overmacht voor niet-naleving voorwaarden klein beschrijf.

Belastingplichtige stelt dat de belasting werd ingekohierd op een ogenblik dat ze reeds verjaard was. Dit argument betreft de belasting zelf. Het behoort de beslagrechter niet toe om zich hierover uit te spreken. Belastingplichtige dient dit argument aan te brengen via de geëigende administratieve bezwaarprocedure en desgevallend voor de fiscale rechter (voor zover dit op heden überhaupt nog mogelijk zou zijn).