Belasting

Registratiebelasting

Artikel

Artikel 61, 3° W. Reg. (thans art. 2.9.5.0.1. VCF)

Voorwerp betwisting

Bewoningsverplichting meeneembaarheid - domiciliefraude

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Gent

Rolnummer

2018/AR/1724

Datum uitspraak

19 november 2019

Status

Definitief

 

Meeneembaarheid – domiciliefraude

Samenvatting

In de akte aankoop dd. 21/03/2005 van een woning met percelen bouwland, tuin, weiland en bos wordt door de koper om de toepassing van de meeneembaarheid van de registratierechten gevraagd (art. 61, 3° W. Reg. – thans art. 2.9.5.0.1 VCF).

Bij brief van 29/01/2014 van het toenmalige registratiekantoor Aalst III wordt aan de koper gemeld dat hij niet voldaan heeft aan de voorwaarden om het voordeel van de meeneembaarheid te kunnen genieten, gezien uit het rijksregister blijkt dat hij nooit ingeschreven was op het adres van het aangekochte onroerend goed. Volgens de koper had hij daar weldegelijk zijn feitelijke woonplaats gevestigd.

Het Hof van Beroep stelt vast dat uit de voorgelegde stukken blijkt dat belastingplichtige en zijn ex-partner weliswaar officieel niet op hetzelfde adres woonden, maar dat zij sedert de aankoop in maart 2005 op dat adres samenwoonden. Zij vormden er een feitelijk gezin samen met de minderjarige kinderen van mevrouw uit een vorig huwelijk, maar ook met hun gemeenschappelijk kind. Het is zeker waar dat de belastingplichtige zich op dat adres niet liet inschrijven in de bevolkingsregisters en het is ook bedenkelijk dat men hiervoor als reden had dat het op die manier mogelijk was dat de partner haar rechten op een vervangingsinkomen kon blijven behouden. Deze vaststellingen doen evenwel niets af van de feiten die inhouden dat belastingplichtige, hoewel hij elders in het bevolkingsregister was ingeschreven, feitelijk op het adres van het aangekochte onroerend goed woonde, zelfs nergens elders verbleef en er dus zijn hoofdverblijf heeft gevestigd onmiddellijk na de aankoop in maart 2005.