Belasting

Registratiebelasting

Artikel

Artikel 131 W.Reg. Vl.Gewest (thans art. 2.8.4.1.1 VCF), artikel 18, § 2 W.Reg. Vl. Gewest (thans art. 3.17.0.0.2 VCF)

Voorwerp betwisting

Inbreng van onroerende goederen in een vennootschap onmiddellijk gevolgd door schenking van aandelen – (geen) fiscaal misbruik

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Gent

Rolnummer

2018/AR/1356

Datum uitspraak

17 december 2019

Status

Definitief


Samenvatting

Op 19 juli 2013 beslist de buitengewone vergadering der vennoten van de vennootschap A tot een kapitaalverhoging door een inbreng in natura en creatie van nieuwe aandelen.
De inbreng in natura beslaat de inbreng van een aantal onroerende goederen door echtgenoten B en C.

Op diezelfde datum schenken B en C hun aandelen in de voormelde vennootschap aan hun dochter D (belastingplichtige). Op deze schenking werden overeenkomstig (oud) artikel 131,2§ W.Reg.Vl.Gw. (thans artikel 2.8.4.1.1 VCF) schenkbelasting betaald.

Drie dagen na het verlijden van beide aktes overlijdt B.

De fiscale administratie vermoedde dat de inbreng in natura in vennootschap A uit louter fiscale overwegingen gerealiseerd werd en dat men voor de inbreng zou hebben gekozen in plaats van een schenking van de onroerende goederen. Deze constructie maakte bijgevolg een fiscaal misbruik uit zoals bepaald in artikel 18, §2 W. Reg (thans artikel 3.17.0.0.2 VCF).

De fiscale administratie liet op 23 april 2014 weten dat er schenkingsrechten verschuldigd zijn voor de onroerende goederen onder vermindering van de rechten op de inbreng in de vennootschap en van de roerende schenkingsrechten die betaald werden op de in ruil van de ingebrachte goederen ontvangen aandelen.

Belastingplichtige was niet akkoord met deze beslissing en diende een bezwaarschrift in bij Vlabel.
Vlabel wees het verzoek af gezien de fiscale administratie dit dossier reeds onderzocht had en beslist had de akte te herkwalificeren en te taxeren als een onroerende schenking.

Belastingplichtige haalt in fase bezwaar, rechtbank eerste aanleg en hof van beroep volgende niet-fiscale motieven aan:

  • De vennootschap A is opgericht in 2006 en heeft onder meer in eigen naam of in naam van derden de handel in en het beheer van onroerende goederen als maatschappelijk doel
  • Ten tijde van de inbreng begin 2013 van de onroerende goederen waren de ouders van belastingplichtige (D) geconfronteerd met zware gezondheidsproblemen en voelden zich niet langer geschikt voor het persoonlijk beheer van hun onroerend goed patrimonium
  • Gezien de ouders voor hun levensonderhoud grotendeels afhankelijk waren van de inkomsten uit onroerende goederen, en het persoonlijk beheer van het onroerend patrimonium niet langer een optie was, werd gekozen voor een meer professioneel beheer in het kader van een vennootschap, die daartoe was voorbestemd. Door de inbreng van alleen de verhuurde goederen wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen enerzijds de in de vennootschap ingebrachte en professioneel beheerde onroerende goederen en anderzijds de (niet ingebrachte en niet geschonken) privé aangehouden onroerende goederen, die een relatief omvangrijke waarde vertegenwoordigen (de eigen woning, een hoeve en een kasteel).
  • De beperking van de risico’s en aansprakelijkheid met betrekking tot het beheer van het verhuurde patrimonium. Belastingplichtige (D) werd als bediende door de vennootschap A tewerkgesteld.
  • Het beheer van de verhuurde onroerende goederen via een vennootschap stimuleert renovaties en investeringen omdat die fiscaal aftrekbaar zijn (ten bedrage van de werkelijke kosten ervan)
  • Gezien de gezondheidstoestand van de ouders (B en C) van belastingplichtige (D) opteerden zij voor een vorm van familiale opvolging van hun enige dochter door middel van schenking van hun aandelen onder last van levensonderhoud en een beding van fideï-commis de residuo.
     

HvB. Gent 19 december 2019

Het gebruik in (oud) artikel 18, §2 W.Reg.Vl.G. (thans artikel 3.17.0.0.2 VCF) van het begrip ‘bewijs’ vanwege de belastingplichtige wijst erop dat (in eerste instantie) het de administratie toekomt het bewijs te leveren van het zogenaamde objectieve element van het fiscaal misbruik.

Indien de administratie aan deze bewijslast voldoet, kan de belastingplichtige aantonen dat niet voldaan is aan het zogenaamd subjectief element inzake fiscaal misbruik. Het subjectief element houdt in dat de belastingplichtige deze rechtshandeling of dit geheel van rechtshandelingen heeft gekozen met als wezenlijk doel het verkrijgen van een belastingvoordeel.

De belastingplichtige kan dit element weerleggen door te bewijzen dat de keuze voor een bepaalde rechtshandeling door andere motieven is verantwoord dan het ontwijken van registratierechten. Op zich volstaat één ander motief dan het ontwijken van schenkbelasting opdat de antimisbruikbepaling geen toepassing zou vinden. Vereist is dat dit motief of alle aangebrachte motieven samen voldoende gewichtig is of zijn, zonder dat evenwel vereist is dat de niet fiscale motieven wezenlijk, belangrijker dan de fiscale motieven zijn.

De administratie neemt in haar schrijven van 23 april 2014 het objectief element aan uit de verrichtingen van de inbreng met het oog op het doen van de schenking van de aandelen, waaruit ze het bestaan afleidt van een eenheid van opzet. De administratie voldoet hiermee aan het bewijs van het objectief element van fiscaal misbruik. Wat het zogenaamd subjectief element betreft, beschikken zowel de administratie als de rechter over een beperkt (marginaal) toetsingsrecht.

Belastingplichtige verwijst naast de hoger opgesomde niet-fiscale motieven ook nog naar de voorafgaande beslissing 17018 van 21 juni 2017[1] waarbij Vlabel gelijkaardige verrichtingen niet als een fiscaal misbruik heeft aangemerkt. Ook in die zaak had de belastingplichtige de bedoeling om een patrimonium binnen de familie te houden en is de verrichting niet ingegeven met de bedoeling om de ingebrachte onroerende goederen op korte of middellange termijn uit de vennootschap te halen in het voordeel van de aandeelhouders (bv. kapitaalvermindering, dividenduitkering).

Uit de aanstelling van belastingplichtige als bediende en haar dochter als zaakvoerder blijkt ook dat het evenmin de bedoeling is om de aandelen van de vennootschap op korte of middellange termijn te vervreemden aan derden. Belastingplichtige wijst er op dat de ingebrachte onroerende goederen tot op heden nog altijd eigendom zijn van vennootschap A en nog steeds geen intentie is om ze te vervreemden.

Deze redenen en motieven tonen voldoende aan dat de keuze voor de geviseerde rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de registratierechten. Daaraan doet geen afbreuk de argumentatie dat bepaalde gewenste gevolgen van de verrichtingen ook op een andere wijze konden worden bereikt. Zo kan de inbreng van de verhuurde (handels)panden met het oog op een professioneel beheer en het faciliteren van het rendement van investeringen met een beperking van het persoonlijk risico, zowel objectief als subjectief een gegronde niet fiscale motivering zijn om de verrichting uit te voeren. Het subjectief element van het exclusief fiscaal opzet is niet aanwezig waardoor het fiscaal misbruik niet kan worden aangenomen.

Daar waar de eerste rechter nog stelde dat de omstandigheid dat de belastingplichtige er in slaagt het tegenbewijs te leveren, daarom niet inhoudt dat het opwerpen van het vermoeden van fiscaal misbruik berust op een vergissing meent de appelrechter dat dit wel degelijk moet beschouwd worden als “een vergissing vanwege de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie” in de zin van artikel 3.9.2.1.1, derde lid, 4° VCF zodat moratoire intresten verschuldigd zijn zoals voorzien bij het artikel 3.9.2.0.1, eerste lid VCF.