Belasting

Registratiebelasting

Artikel

Artikel 212bis W. Reg. (thans art. 3.6.0.0.6, §3 VCF)

Voorwerp betwisting

Begrip woning/bouwgrond

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Gent

Rolnummer

2019/AR/171

Datum uitspraak

24 december 2019

Status

Definitief

 

Samenvatting

Meeneembaarheid/Bescheiden woning – Onderscheid woning/bouwgrond

Ingevolge proces-verbaal van definitieve toewijzing gesloten op 24 november 2009 kochten belastingplichtigen in het kader van een vrijwillige openbare verkoop een hoeve met aanhorigheden (met een kadastraal inkomen van 323,00 euro).

De akte werd geregistreerd op 7 december 2009 met toepassing van het in de akte gevraagde klein beschrijf. Na verkoop van de toenmalige woning van belastingplichtigen op 30 augustus 2010 werd toepassing gemaakt van de meeneembaarheid.         

Belastingplichtigen lieten zich op 3 januari 2014 inschrijven op hun nieuwe adres.

Op 2 mei 2017 werd aan de belastingplichtigen een aanslagbiljet in de registratiebelasting voor aanslagjaar 2009 toegestuurd. Daarin werden aanvullende rechten en een belastingverhoging verschuldigd waren wegens het niet voldoen aan de bewoningsvoorwaarde om te genieten van de meeneembaarheid alsook de inschrijvingsvoorwaarde om te genieten van het klein beschrijf.

Belastingplichtigen konden wat het aspect meeneembaarheid betreft hiermee niet akkoord gaan en richtten een verzoekschrift tot de rechtbank.

HvB. Gent 24 december 2019

Of voor de toepassing van de meeneembaarheid een bebouwd onroerend goed al dan niet aangewend kan worden voor bewoning, moet worden beoordeeld op het ogenblik van aankoop van dit onroerend goed.

Het is aan de belastingplichtigen om te bewijzen dat het bebouwd onroerend goed dat zij op 24 november 2009 aangekocht hebben, op dat ogenblik niet kon worden aangewend voor bewoning. Zij kunnen dit bewijs leveren tegen de inhoud van de akte van 24 november 2009 in. Of een bebouwd onroerend goed op het ogenblik van aankoop al dan niet kon worden aangewend voor bewoning, volgt immers uit de feitelijke toestand van dit goed.

Het hof is van oordeel dat de belastingplichtigen afdoende bewijzen dat het door hen op 24 november 2009 aangekochte bebouwde onroerend goed op dat ogenblik niet kon worden aangewend voor bewoning en aldus kwalificeert als een bouwgrond voor de toepassing van de termijnen opgenomen in het op datum van de aankoopakte toepasselijke artikel 212bis, zesde lid, §3, b) W. Reg. (thans artikel 3.6.0.0.6, §3 VCF).

Immers, het gebouw dateert van vóór 1962. De koopakte verwijst naar een verwerving door de rechtsvoorganger van de appellanten in 1924. In de koopakte wordt gemeld dat voor het goed geen stedenbouwkundige vergunningen werden uitgereikt en wordt, met betrekking tot het bestaan van een postinterventiedossier, verklaard dat er aan het goed sedert 1 mei 2001 geen werken meer werden uitgevoerd waarvoor dergelijk dossier moest worden opgesteld. Voorafgaand aan de verkoop werd de woning lange tijd niet bewoond, hetgeen door de geïntimeerde niet wordt betwist. Hieruit kan afgeleid worden dat de staat van de woning op het ogenblik van aankoop door de appellanten niet meer aangewend kon worden voor hedendaagse bewoning. Dit blijkt ook uit de opdeling van de voormalige woning in een woning met stal, schuur met tassing en bergingen, bevestigd door de door de belastingplichtige overgelegde foto's. Voorafgaand aan de verkoop hadden de toenmalige eigenaars overigens ook een stedenbouwkundig attest voor de sloop en heropbouw van het woonhuis bekomen, en dit als belangrijk element vermeld in de aankondiging van de vrijwillige openbare verkoop, waaruit blijkt dat ook zij van oordeel waren dat de toenmalige hoeve niet meer voldeed.

De belastingplichtigen tonen op afdoende wijze aan dat de woning, door hen aangekocht op 24 november 2009, op dat ogenblik niet meer aangewend kon worden voor bewoning. Het voorwerp van de aankoop op 24 november 2009 betrof aldus een bouwgrond voor doeleinden van artikel 212bis W. Reg. De vijfjarige termijn is van toepassing. De belastingplichtigen hebben tijdig hun hoofdverblijfplaats gevestigd op de plaats van het nieuw aangekochte goed. Zij zijn gerechtigd op de teruggave opgenomen in artikel 212bis W. Reg.

Dit oordeel is niet tegenstrijdig met het verzoek van de belastingplichtigen tot toepassing van het gunstregime van het klein beschrijf in de akte van 24 november 2009. De toepassing van dit gunstregime werd hen immers geweigerd.
(lees initieel uiteraard toegestaan, doch na controle in 2017 geweigerd)