Belasting

Onroerende voorheffing 

Artikel

Artikel 253, 1° WIB 92 jo. 12, §1, WIB 92 (thans artikel 2.1.6.0.1, eerste lid, 1° VCF)

Voorwerp betwisting

Soortgelijke weldadigheidsinstellingen

Rechtbank of Hof

Hof van Cassatie                                       

Plaats

 

Rolnummer

F.19.0045.N

Datum uitspraak

19/03/2020

Status

Definitief

 

Samenvatting

Artikel 253, 1°, WIB92 (Vlaams Gewest), zoals hier van toepassing, stelt het kadastraal inkomen van de in artikel 12, § 1, vermelde onroerende goederen of delen van onroerende goederen vrij van onroerende voorheffing.

Krachtens artikel 12, § 1, WIB92, zoals hier van toepassing, is onder meer het kadastraal inkomen van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen vrijgesteld.

Met soortgelijke weldadigheidsinstellingen worden de instellingen bedoeld die op eender welke wijze geestelijke, fysieke dan wel andere zorg verstrekken aan hulpbehoevenden.

Een sociale werkplaats die tewerkstelling organiseert voor moeilijk bemiddelbare werkzoekenden verstrekt zorg aan hulpbehoevende personen en is bijgevolg te beschouwen als een soortgelijke weldadigheidsinstelling.

 

De appelrechters stellen vast en oordelen dat:

  • volgens de statuten het doel van de verweerster bestaat in het organiseren van tewerkstelling voor personen die omwille van hun beperking niet bemiddelbaar zijn naar de open arbeidsmarkt;
  • de verweerster een erkende sociale werkplaats is in de zin van het decreet van het Vlaams Parlement van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen;
  • de bedoeling van een sociale werkplaats zoals de verweerster niet zonder meer tewerkstelling is, maar wel de tewerkstelling van personen die hulpbehoevend zijn;
  • de hulp die geboden wordt, erin bestaat aan de onmogelijkheid te verhelpen om op de normale arbeidsmarkt te worden tewerkgesteld;
  • uit de voorstellingsnota blijkt dat de kringloopwinkels die de verweerster uitbaat ook bezet worden door hulpbehoevende personen;
  • uit het onderzoek gevoerd door de administratie van het kadaster blijkt dat de in betwisting zijnde onroerende goederen volledig, rechtstreeks of onrechtstreeks, doch uitsluitend aangewend worden als soortgelijke weldadigheidsinstelling.

 

Op die gronden vermochten de appelrechters te oordelen dat de bestemming van de litigieuze onroerende goederen voor een sociale werkplaats tot gevolg heeft dat de verweerster kan genieten van de vrijstelling van onroerende voorheffing.

 

--------------

- publicatie op 21.04.2020