Erfdienstbaarheid

Volgens artikel 637 van het Burgerlijk Wetboek (B.W.) is een erfdienstbaarheid "een last op een erf gelegd tot gebruik en tot nut van een erf dat aan een andere eigenaar toebehoort". Zij ontstaat of uit de natuurlijke ligging van de plaatsen of uit de verplichtingen door de wet opgelegd of uit overeenkomsten (artikel 639 B.W.). Door artikel 649 B.W. worden de erfdienstbaarheden die door de wet gevestigd zijn, ingedeeld in erfdienstbaarheden van algemeen (openbaar) of gemeentelijk nut, of erfdienstbaarheden van privaat nut.

Artikel 650 B.W. bepaalt dat de erfdienstbaarheden tot algemeen of gemeentelijk nut voetpaden langs bevaarbare of vlotbare rivieren, het aanleggen of herstellen van de wegen en andere openbare of gemeentelijke werken betreffen. Alles wat deze soort van erfdienstbaarheid betreft, wordt door bijzondere wetten of verordeningen geregeld.

Erfdienstbaarheden tot algemeen nut zijn beperkingen die in het algemeen belang aan de uitoefening van het privaat eigendomsrecht gesteld zijn. De voornaamste erfdienstbaarheden tot openbaar nut zijn (niet-limitatieve opsomming):

  • Erfdienstbaarheden ten behoeve van spoor- en buurtspoorwegen (wetten van 25 juli 1891 en 14 februari 1935).
  • Erfdienstbaarheden voortspruitend uit de nabijheid van de grenzen van het Rijk (wetten van 5 april 1887 en 15 mei 1931).
  • Erfdienstbaarheden tot bewaring van de signalen en merktekens voor het opmaken van de kaart van België (wet van 10 juni 1927).
  • Luchtvaartdienstbaarheden (wetten van 23 juni 1930 en 17 maart 1936).
  • Erfdienstbaarheid van voet- en jaagpad die aan de oevereigenaars van vlotbare en bevaarbare waterwegen is opgelegd voor de behoeften van de scheepvaart (ordonnantie van 13 augustus 1669; K.B. van 4 november 1920, zoals gewijzigd bij K.B. van 12 november 1934).
  • Door de artikelen 1 tot 9 van het Veldwetboek opgelegde erfdienstbaarheden. Die artikelen leggen aan de eigenaar van een veld de verplichtingen op te gedogen dat er graafwerk op verricht wordt om er zoveel aarde, zand, steen en ander materiaal uit te halen als nodige is voor het aanleggen of onderhouden van wegen, vaarten, bruggen en andere werken van algemeen, provinciaal of gemeentelijk openbaar nut. Wanneer de bezetting meer dan één maand duurt mag de eigenaar de onteigening vorderen.
  • Erfdienstbaarheden gevestigd door de wet van 12 juli 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen.
  • Bouwverbod in beschermde duingebieden en als voor het duingebied belangrijk landbouwgebied (art. 52 van de wet van 12 juli 1973).
  • Erfdienstbaarheden gevestigd met het oog op de bosbescherming (art. 97 tot 107 van het Vlaamse bosdecreet van 13 juni 1990).
  • De kabelmaatschappijen hebben het recht om voor de aanleg van de kabels en de bijhorende uitrustingen van hun kabelnetten, op blijvende wijze steunen en ankers aan te brengen op muren en gevels die uitkomen op de openbare weg en hun kabels in open en onbebouwde grond aan te leggen of zonder vasthechting of aanraking boven particuliere eigendommen te laten doorgaan (art. 110 van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995).
  • Erfdienstbaarheden gevestigd door het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen, voor de uitvoering van waterkeringswerken, evenals van alle werken tot aanleg of aanpassing van overstromingsbekken en wachtbekkens en alle werken tot aanleg of aanpassing van de toegangswegen naar de waterkeringswerken, overstromingsbekken en wachtbekkens.