Belasting

Registratiebelasting

Artikel

Artikel 3.3.3.0.1, §4/2 VCF-5.0.0.0.11, lid 1VCF

Voorwerp betwisting

Verjaring inkohieringstermijn

Rechtbank of Hof

Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen

Plaats

Afdeling Gent

Rolnummer

17/2721/A

Datum uitspraak

30 oktober 2018

Status

Definitief

 

Samenvatting

Bij notariële akte van 14 mei 2007 kocht belastingplichtige een appartement. Zij verzocht om toepassing van het abattement (artikel 46bis W. Reg- oud artikel 2.9.3.0.2 VCF) en een vermindering van registratierechten zoals bepaald in artikel 53, 2° W. Reg (thans oud artikel 2.9.4.2.1 VCF). Op 24 mei 2007 werd de akte geregistreerd.

Belastingplichtige bewoonde het appartement niet en vestigde haar domicilie niet op dit adres. Zij verkocht het appartement bij akte verleden op 20 maart 2008.

Op 4 november 2016 werd aan belastingplichtige een aanslag in de registratiebelasting verstuurd voor aanslagjaar 2007. Er werden bijkomende registratierechten alsook een belastingverhoging ingekohierd, omdat niet was voldaan aan de bewoningsplicht om te kunnen genieten van het abattement.

Belastingplichtige tekende hiertegen bezwaar aan, doch dit werd afgewezen. De Vlaamse Belastingdienst stelde dat de belastingschuld nog niet was verjaard. Belastingplichtige kon zich met voormelde beslissing niet verzoenen en maakte de zaak aanhangig bij de rechtbank.

Belastingplichtige beroept zich ten onrechte op artikel 214, 1° W. Reg., dat bepaalt dat de invordering van de rechten en boeten verschuldigd op een akte of een overeenkomst verjaard is na twee jaar te rekenen van de dag van de registratie van de akte of het geschrift.

Voor de invordering van registratierechten geldt in principe een verjaringstermijn van 15 jaar (artikel 214, 7° W. Reg), tenzij voor de gevallen waarvoor de wet een kortere termijn voorziet. Zo is er overeenkomstig artikel 214, 1° W. Reg. verjaring voor de invordering van registratierechten en boeten op een akte of een overeenkomst na twee jaar te rekenen van de dag van de registratie van de akte welke de oorzaak van de vorderbaarheid van de rechten en boeten aan de administratie genoegzaam doet kennen om de noodzakelijkheid van alle verdere opzoekingen uit te sluiten.

Opdat een akte of geschrift de tweejarige verjaringstermijn van artikel 214, 1° W. Reg. kan doen lopen, is vereist

(i) dat er een akte of geschrift voorhanden is die werd geregistreerd of het voorwerp uitmaakte van een verrichting die met registratie wordt gelijkgesteld,

(ii) dat deze akte of dit geschrift de oorzaak van opeisbaarheid van rechten of boeten aan de administratie kenbaar maakt, en

(iii) dat deze onthulling volstaat om alle verdere opzoekingen uit te sluiten.

In het geval van het niet-respecteren van de voorwaarden om te kunnen genieten van het abattement, is minstens niet voldaan aan de hierboven onder (iii) vermelde vereiste. De vermelding in de akte dat de koper een beroep doet op het abattement volstaat niet om alle verdere opzoekingen uit te sluiten. De administratie moet immers opvolgen of aan de voorwaarden voor toepassing van het abattement is voldaan, en dit blijkt niet uit de initiële aankoopakte doch wel uit latere handelingen van de belastingplichtige.

Niet artikel 214, 1° W. Reg. was aldus van toepassing, doch wel de algemene verjaringstermijn van 15 jaar vermeld in het toenmalige artikel 214, 7° W. Reg. Deze is de algemene regel en aldus niet enkel van toepassing bij 'veinzing, bewimpeling van prijs of al ander feit niet of onjuist vastgesteld in een geregistreerde akte', die louter exemplatief en niet limitatief worden opgesomd in artikel 214, 7° W. Reg., getuige daarvan de woorden 'met inbegrip van'.

De rechtbank stelt evenmin een schending van het gelijkheidsbeginsel vast. De wet is duidelijk: artikel 214, 7° W. Reg. is de algemene regel waarvan enkel kan worden afgeweken indien de voorwaarden voor toepassing van de andere verjaringstermijnen vervuld zijn. Aangezien niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing artikel 214, 1° W. Reg., is de algemene regel van artikel 214, 7° W. Reg. van toepassing. In dergelijk geval kan van een ongelijke behandeling tussen belastingplichtigen geen sprake zijn.

Aldus verjaarde de invordering van de aanvullende rechten en boeten die verschuldigd zijn bij het niet-respecteren van de voorwaarden bepaald voor het abattement (artikel 46bis W. Reg.), vóór inwerkingtreding van de Vlaamse Codex Fiscaliteit, na verloop van 15 jaar te rekenen van de dag waarop de rechtsvordering van de Staat ontstaan is. Deze rechtsvordering ontstaat op het ogenblik dat het vaststaat dat de voorwaarde voor toepassing van het abattement niet wordt gerespecteerd. In voorliggend geval was dit bij wederverkoop van het appartement op 20 maart 2008. De 15-jarige verjaringstermijn begon op dat ogenblik te lopen. Krachtens artikel 214, 7° W. Reg., zoals van toepassing tot 31 december 2014, zou in voorliggend geval de vordering tot invordering van de aanvullende rechten op het onterecht bekomen abattement verjaard zijn in maart 2023.

Evenwel trad op 1 januari 2015 artikel 3.3.3.0.1, §4/2 VCF in werking, dat luidt als volgt:

"De registratiebelasting mag worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de dag van de registratie van de akte die of het geschrift dat aanleiding geeft tot de heffing van de registratiebelasting.

(...)

In afwijking van het eerste lid kunnen de aanvullende rechten die verschuldigd zijn wegens het niet-naleven van voorwaarden die gelden tot behoud van vrijstellingen of verminderingen van grondslagen of tarieven, worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de dag waarop· de vordering voor het Vlaamse Gewest is ontstaan.

(...) "

In weerwil van wat belastingplichtige stelt, moet dit artikel worden samengelezen met artikel 5.0.0.0.11, lid 1 VCF, dat als overgangsbepaling werd ingevoerd:

"De belastingen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 4° en 6° tot en met 8°, van de bijzondere wet van 16januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, alsook de nalatigheidsinteresten en de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op die belastingen, die nog niet zijn voldaan op 31 december 2014, en waarvoor de termijnen voor invordering die op die datum van toepassing zijn, nog niet verstreken zijn, kunnen in afwijking van de termijn, vermeld in artikel 3.3.3.0.1, §4/1 en §4/2, worden geheven tot en met 31 december 2019."      

In voorliggend geval was de termijn voor invordering van de aanvullende rechten en boeten die verschuldigd zijn wegens het niet-respecteren van de voorwaarden bepaald voor het abattement en nog niet voldaan zijn op 31 december 2014, nog niet verstreken op 31 december 2014 (zie hierboven, toepassing van artikel 214, 7° W. Reg.). In afwijking van de termijn vermeld in artikel 3.3.3.0.1, §4/2 VCF was de Vlaamse Belastingdienst gerechtigd om voormelde aanvullende rechten en boeten te vestigen tot en met 31 december 2019. Aldus werd geen toepassing gemaakt van artikel 3.3.3.0.1, §4/2 VCF, doch enkel van artikel 5.0.0.0.11, lid 1 VCF. De aanvullende rechten werden in overeenstemming met de wet geheven op 25 oktober 2016, dit is vóór de in dit artikel bepaalde uiterste datum van 31 december 2019.

Het onderscheid dat belastingplichtige meent te mogen maken tussen aanslagtermijnen en termijnen van verjaring gaat in voorliggend geval niet op, aangezien in hoofde van belastingplichtige nog geen aanslag was gevestigd. De registratierechten werden vóór inwerkingtreding van de Vlaamse Codex Fiscaliteit ingevorderd bij dwangbevel (als gevolg waarvan verjaringstermijnen voor invordering werden voorzien in het W. Reg.), daar waar ze onder de Vlaamse Codex Fiscaliteit bij kohier worden gevestigd (als gevolg waarvan aanslagtermijnen werden voorzien in de VCF). Artikel 5.0.0.0.11 VCF bepaalt duidelijk dat de nog invorderbare belastingen kunnen worden geheven tot en met 31 december 2019. Dit artikel werd terecht en correct toegepast.

De rechtbank stelt geen verjaring vast en wijst deze exceptie opgeworpen door belastingplichtige af.