Abattement voor gehandicapte personen

Voorwaarden

Om van het abattement te kunnen genieten, moet de gehandicapte persoon of het gehandicapt kind onder één van de volgende drie categorieën vallen:

  • ofwel een invaliditeit van minstens 66%
  • ofwel een vermindering van verdienvermogen tot één derde of minder
  • ofwel een vermindering van zelfredzaamheid van minimaal 9 punten

De invaliditeit moet bovendien het gevolg zijn van feiten die overkomen en vastgesteld zijn vóór de leeftijd van 65 jaar.

Berekening van het abattement

Wat een gehandicapte persoon erft, wordt aan de voet van het toepasselijk tarief van het successierecht  bij overlijden vrijgesteld tot beloop van een bepaalde som. Deze som wordt bekomen door toepassing van de volgende formule:

  • bij verkrijgingen in rechte lijn, tussen echtgenoten en samenwonenden:
    (3.000 euro) x (cijfer aangeduid volgens de leeftijd van de verkrijger)

Bij een verkrijging in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden wordt het bedrag van de vrijstelling eerst toegerekend op het netto-onroerend aandeel en bij uitputting van dat aandeel vervolgens op het netto-roerend aandeel.

  • bij verkrijgingen tussen ander personen dan in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden:
    (1.000 euro) x (cijfer aangeduid volgens de leeftijd van de verkrijger)

Bij een verkrijging tussen andere personen dan in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden wordt de belasting in hoofde van de gehandicapte persoon berekend alsof hij als enige voor zijn netto-aandeel tot de nalatenschap komt. In hoofde van de andere verkrijgers wordt de belasting berekend alsof de gehandicapte persoon die hoedanigheid niet heeft.

Het genoemde cijfer bedraagt:

  • 18 bij een leeftijd van 20 jaar of minder
  • 17 bij een leeftijd boven de 20 en tot 30 jaar
  • 16 bij een leeftijd boven de 30 en tot 40 jaar
  • 14 bij een leeftijd boven de 40 en tot 50 jaar
  • 13 bij een leeftijd boven de 50 en tot 55 jaar
  • 11 bij een leeftijd boven de 55 en tot 60 jaar
  • 9,5 bij een leeftijd boven de 60 en tot 65 jaar
  • 8 bij een leeftijd boven de 65 en tot 70 jaar
  • 6 bij een leeftijd boven de 70 en tot 75 jaar
  • 4 bij een leeftijd boven de 75 en tot 80 jaar
  • 2 bij een leeftijd boven de 80 jaar

Formaliteiten

Het recht op de vrijstelling moet bewezen worden door middel van een attest of een verklaring uitgaande van een instelling of dienst die bevoegd is om de toestand als gehandicapte vast te stellen (bv. FOD Sociale Zekerheid).

Het attest of de verklaring hoeft niet bij de aangifte worden gevoegd als de gehandicapte in het Vlaamse Gewest gedomicilieerd is, in het geval hij gedomicilieerd is buiten het Vlaamse Gewest wordt het bij de aangifte gevoegd of aan het bevoegde kantoor overgemaakt voordat de rechten opeisbaar zijn. Is het attest niet bij de aangifte gevoegd of niet tijdig op het bevoegde kantoor toegekomen dan worden de rechten berekend zonder toepassing van de vrijstelling, behoudens teruggave indien de vrijstelling wordt aangevraagd binnen de bezwaartermijn.

Wat met andere verminderingen?

De toekenning van de voetvrijstelling heeft geen invloed op de andere verminderingen waarop men recht heeft. Deze verminderingen zullen worden berekend alsof de voetvrijstelling niet zou worden toegekend. Het is evenwel niet de bedoeling dat wanneer het totaal aan verminderingen de rechten overstijgen, een bedrag zou worden uitgekeerd aan de gehandicapte persoon. Het bedrag van de vermindering blijft in dat geval beperkt tot het bedrag van de rechten.