Gelijkschakeling rechte lijn

Adoptie

Een verkrijging tussen personen die ingevolge volle adoptie overeenkomstig artikel 356/1 van het Burgerlijk Wetboek een statuut met dezelfde rechten en verplichtingen hebben als een gemeenschappelijk kind van de adoptanten, wordt gelijkgesteld met een verkrijging in rechte lijn;

Een verkrijging die voortkomt uit een verwantschapsband ingevolge gewone adoptie kan eveneens worden gelijkgesteld met een verkrijging in rechte lijn doch uitsluitend op voorwaarde dat de nodige bewijsstukken worden aangebracht dat:

  1. het adoptiekind op het ogenblik van de adoptie onder de voogdij was van de openbare onderstand of van een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of van een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte, of wees was van een voor het vaderland gestorven vader of moeder;
  2. het adoptiekind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren hoofdzakelijk van de adoptant, of van de adoptant en zijn partner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen;
  3. het kind geadopteerd is door een persoon van wie al de afstammelingen voor het vaderland gestorven zijn.

 

Stiefouders en stiefkinderen

Verkrijgingen tussen stiefouders en stiefkinderen worden gelijkgesteld met verkrijgingen in rechte lijn.

Deze gelijkstelling kan zich voordoen bij een verkrijging tussen een persoon en het kind van zijn partner, ongeacht of de verkrijging plaatsvindt voor of na het overlijden van de partner. Als de verkrijging plaatsvindt na het overlijden van de partner, moet die laatste zijn hoedanigheid van partner ten aanzien van de eerst vermelde persoon nog hebben op de datum van zijn overlijden.

Met partner wordt bedoeld :

  • de persoon die op dag van het openvallen van de nalatenschap met de erflater gehuwd is;
  • de persoon die op de dag van het openvallen van de nalatenschap met de erflater wettelijk samenwoont,
  • de persoon die op de dag van het openvallen van de nalatenschap ten minste één jaar ononderbroken met de erflater samenwoont en met de erflater een gemeenschappelijke huishouding voert.

 

Zorgouders en zorgkinderen

Verkrijgingen tussen zorgouders en zorgkinderen worden gelijkgesteld met verkrijgingen in rechte lijn. 

De voorwaarden voor die gelijkstelling zijn:

  • het kind moet voor de leeftijd van 21 jaar 3 achtereenvolgende jaren bij de andere persoon hebben ingewoond;
  • het kind moet tijdens deze periode van die andere persoon (al dan niet samen met zijn levenspartner), de hulp en verzorging gekregen hebben die kinderen normaal van hun ouders krijgen.

De inschrijving van het zorgkind in het bevolkings- of vreemdelingenregister op het adres van de zorgouder geldt als weerlegbaar vermoeden van inwoning bij de zorgouder.  De gelijkschakeling is beperkt tot het zorgkind en de zorgouder, en geldt enkel op het vlak van het tarief en de verminderingen.  Bloedverwanten van het zorgkind of de zorgouder komen dus niet in aanmerking voor deze gelijkschakeling.

Let wel: deze vorm van vererving gebeurt niet automatisch, maar moet u regelen bij testament. Voor meer informatie hierover, kan u steeds een notaris raadplegen.