Het Verjaringsvraagstuk?

Betwistingen inzake verjaring worden geregeld volgens de geldende rechtsregels in de verzoekende lidstaat (RL art 19,1).

Inzake schorsing, stuiting of verlenging van de verjaartermijn geldt dat in de aangezochte lidstaat genomen acties met schorsend, stuitend of termijnverlengend karakter hetzelfde gevolg sorteren in de verzoekende lidstaat als zijn eigen rechtsregels daarin voorzien.

De kans bestaat dat om bijstand wordt verzocht bij lidstaten waarvan de rechtsregels niet voorzien in schorsing, stuiting of verlenging van de verjaartermijn. Wanneer die aangezochte lidstaat acties onderneemt die in het verzoekende land een schorsend, stuitend of verlengend karakter kennen, dan worden deze acties geacht genomen geweest te zijn in het verzoekende land.

Los van voorgaande staat het de verzoekende lidstaat vrij zelf maatregelen te nemen ter stuiting, schorsing of verlenging van de verjaartermijn.

Hier schoot de Vlaamse wetgever de met de invordering gelaste ambtenaren ter hulp. Art 32 van het decreet stelt dat ”elk verzoek tot invordering of bewarende maatregelen”,dat wordt verricht door de Vlaamse autoriteit overeenkomstig art 10 (invordering) of 14 (bewarende maatregelen), schorst de verjaringals het verzoek betrekking heeft op een natuurlijke persoon die zijn woonplaatsbuiten België heeft of op een rechtspersoon die buitenBelgië zijn maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur heeft. De schorsing vangt aan op de datum waarop het dossier wordt ingediend en eindigt op de datum waarop de buitenlandse autoriteit meedeelt dat het verzoek afgehandeld is.”