Belasting

Onroerende voorheffing

Artikel

Artikel 253, 3° WIB92 (thans artikel 2.1.6.0.1, eerste lid, 3° VCF)

Voorwerp betwisting

De aard van nationaal domeingoed hebben (1e voorwaarde vrijstelling)

Rechtbank of Hof

Hof van Cassatie

Plaats

 

Rolnummer

F.1600200.N – F.160021.N – F.160090.N

Datum uitspraak

23 november 2018

Status

Doorverwijzing naar het Hof van Beroep te Antwerpen

 

Samenvatting

Twee publiekrechtelijke beroepscorporaties (“Ordes”), respectievelijk de Orde der Artsen en de Orde van Architecten, roepen de vrijstelling van onroerende voorheffing voor nationale domeingoederen zoals voorzien in art. 253, 3° WIB92 (nu art. 2.1.6.0.1, eerste lid, 3° VCF) in voor hun onroerende goederen die aangewend worden als kantoorruime en secretariaat voor hun diensten.

Zowel in eerste aanleg als voor het Hof van Beroep spitst de discussie zich toe op de vraag of de onroerende goederen van publiekrechtelijke beroepscorporaties de aard hebben van nationaal domeingoed, wat de eerste voorwaarde voor de vrijstelling is.

Het Hof van Beroep te Gent weigerde de vrijstelling omdat de Ordes niet kunnen beschouwd worden als een openbare instelling waardoor hun onroerende goederen niet de aard hebben van nationaal domeingoed:

Nationale domeingoederen zijn alle goederen van de staat, het gewest, de provincies, de gemeenten en de openbare instellingen. Dergelijke openbare instelling heeft als kenmerk onder meer dat zij onder voogdij en controle van de oprichtende openbare macht blijft, ook al is zij organiek, technisch, administratief en financieel autonoom (Com. IB nr. 253/84). Dit is voor de beroepsorders niet het geval.

Het Hof van Cassatie volgt deze zienswijze niet en verbreekt de arresten van het Hof van Beroep. Het Hof van Cassatie geeft eerst een invulling van het begrip “nationaal domeingoed”:

Nationale domeingoederen zoals bedoeld in art. 253, 3° WIB 92 zijn al de goederen die toebehoren aan de Staat, de gemeenschappen en de gewesten of aan de ondergeschikte besturen, alsmede aan alle instellingen die door die overheden zijn opgericht en belast zijn met een openbare dienst of een dienst van algemeen nut.

Vervolgens verwijst Cassatie naar de oprichtingswetten van beide Ordes en naar het feit dat ze als publiekrechtelijke beroepscorporaties rechtspersoonlijkheid hebben. Aan deze Ordes zijn bevoegdheden toegekend die worden uitgeoefend onder de bij de wet gestelde controles.

De organen van de Ordes zijn o.g.v. hun oprichtingswet of uitvoeringsbesluit hierbij belast met een openbare dienst en met diverse diensten van algemeen nut zoals het waken over het naleven van de regels van de plichtenleer en de uitoefening van de tucht.

Het Hof van Cassatie besluit dat de onroerende goederen die worden aangewend voor de behartiging van de aan de Orde toevertrouwde diensten nationale domeingoederen zijn als bedoeld in artikel 253,3° WIB en genieten van de vrijstelling van onroerende voorheffing.