Belasting

Onroerende voorheffing

Artikel

Artikel 253, 3° WIB92 (thans artikel 2.1.6.0.1, eerste lid, 3° VCF)

Voorwerp betwisting

Vrijstelling intercommunales

Rechtbank of Hof

Hof van Cassatie

Plaats

 

Rolnummer

F.17.0090.N

Datum uitspraak

25 januari 2019

Status

Definitief

 

Samenvatting

Krachtens artikel 12, § 2, 2°, Decreet van het Vlaams Parlement van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, zoals hier toepasselijk, is een dienstverlenende vereniging een samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid maar zonder beheersoverdracht dat tot doel heeft een duidelijk omschreven ondersteunende dienst te verlenen aan de deelnemende gemeenten, eventueel voor verschillende beleidsdomeinen.

Krachtens artikel 253, 3° WIB92 (nu art. 2.1.6.0.1, eerste lid, 3° VCF), zoals hier toepasselijk, wordt van de onroerende voorheffing vrijgesteld het kadastraal inkomen van onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt.

Hieruit volgt dat een onroerend goed van een intergemeentelijke vereniging slechts van de onroerende voorheffing wordt vrijgesteld indien het niet productief is en in concreto wordt aangewend voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut.

Een intergemeentelijke dienstverlenende vereniging die in het raam van het huisvestingsbeleid optreedt als projectontwikkelaar en gronden gebruikt voor het bouwen van betaalbare woningen, oefent een taak uit van algemeen belang en verzekert aldus een openbare dienst. De gronden die met dit oogmerk worden ontwikkeld door de intergemeentelijke vereniging worden bestemd voor een dienst van algemeen nut.

De appelrechters stellen vast dat:

  • de onbebouwde gronden het voorwerp uitmaken van verkavelingsprojecten opgestart door de gemeenten Rumst, Zoersel en Brecht;
  • bepaalde onroerende goederen aangewend worden als sociale koopwoningen.

De appelrechters die de vrijstelling van de onroerende voorheffing voor alle onroerende goederen weigeren omdat de gronden in de periode voorafgaand aan de particuliere verkoop en tijdens de ontwikkeling van de projecten niet gebruikt worden in het raam van een openbare dienst en het bouwen van woningen op zich geen openbare dienst is, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond in zoverre het schending aanvoert van artikel 253, 3°, WIB92.