Ouderlijke boedelverdeling en verblijvingsbedingen en keuzebedingen met last

Standpunt nr. 16053 dd. 13.06.2016

Art. 2.7.3.2.13. VCF


 

1. Ouderlijke boedelverdeling

Verschillende aspecten moeten worden onderscheiden.

1) Keuze van het toepasselijk erfrecht

De Europese erfrechtverordening (toepasselijk voor overlijdens vanaf 17.08.2015) stelt als algemeen principe dat zowel de roerende als de onroerende goederen van de nalatenschap vererfd worden volgens de wetgeving van het EU land van de gewone verblijfplaats ten dage van het overlijden. Bij uitzondering mag de erflater voor zijn erfopvolging bij uiterste wilsbeschikking opteren voor het erfrecht van de staat waarvan hij de nationaliteit bezit ten dage van zijn rechtskeuze of zijn overlijden.

Indien de erflater een Belgisch rijksinwoner is met de Nederlandse nationaliteit zijn er dus twee keuzes mogelijk.

a. Keuze voor het Belgisch erfrecht

Vlabel berekent de EB volgens de principes van het Belgisch erfrecht (devolutie, reserve, inkorting in natura) voor zover dit duidelijk blijkt uit de in de aangifte opgenomen vermeldingen.

b. Keuze voor het Nederlands (wettelijk of testamentair) erfrecht

Als de aangevers in de aangifte duidelijk vermelden dat ze opteren voor de ouderlijke boedelverdeling naar NL recht, houdt Vlabel hier rekening mee bij de berekening van de EB (zie punten 2 en 3, hierna).

2) Keuze voor ouderlijke boedelverdeling naar NL recht bij overlijden eerste ouder

Bij het eerste overlijden bekomt de langstlevende echtgenoot de volledige nalatenschap in natura, terwijl de kinderen een vordering in geld (roerende schuldvordering) verkrijgen op de nalatenschap waarvan het nominaal bedrag gelijk is aan 1/x van de netto-nalatenschap en waarbij x gelijk is aan het aantal kinderen +1.

Is de erflater een rijksinwoner, dan wordt met het ontstaan van deze schuldvorderingen rekening gehouden en wordt toepassing gemaakt van de artikelen 2.7.1.0.10 en 2.7.3.2.13 VCF.

Is de erflater een niet-rijksinwoner, dan kan met deze schuldvorderingen geen rekening worden gehouden, vermits de artikelen 2.7.1.0.10 en 2.7.3.2.13 VCF enkel van toepassing zijn in het successierecht.

Het gaat om een schuldvordering op termijn waarvan de langstlevende echtgenoot in principe het levenslang genot heeft, enerzijds, en die rentedragend is, anderzijds. Vermits dit genot en de rentelast (die ten laste van het genot valt) elkaar opheffen, wordt door Vlabel enkel het nominaal bedrag van deze schuldvordering in aanmerking genomen.

Deze schuldvorderingen zijn, in hoofde van de kinderen, belastbaar als roerend legaat bij toepassing van artikel 2.7.1.0.10, 1ste lid VCF.

In hoofde van de langstlevende echtgenoot worden deze legaten in mindering gebracht van zijn/haar netto-belastbaar aandeel, bij toepassing van artikel 2.7.3.2.13 VCF, waarbij ze worden toegerekend als specifiek roerende schulden (art. 2.7.3.5.2 VCF).

Deze heffing is definitief, zelfs indien de schuldvordering van de kinderen opeisbaar wordt op een vroeger tijdstip dan het overlijden van de langstlevende echtgenoot.

3) Overlijden tweede ouder na keuze voor ouderlijke boedelverdeling naar NL recht bij overlijden eerste ouder

In zoverre de schuldvorderingen van de kinderen nog niet werden voldaan tijdens het leven van de langstlevende ouder, gaan deze thans teniet door schuldvermenging.

Bijgevolg is deze schuld niet aanvaardbaar in het passief van de nalatenschap van de tweede ouder.

De kinderen van wie de schuldvordering nog niet werd voldaan, hebben echter twee hoedanigheden: die van erfopvolger en die van persoonlijke schuldeiser van de langstlevende.

De kinderen worden enkel belast op het aandeel dat ze als erfopvolger verkrijgen. Voor het overige wordt deze verkrijging echter beschouwd als een uitvoering van het legaat dat ze bij het eerste overlijden hebben verkregen. Bijgevolg mag het bedrag van het (roerend) legaat, zoals het belast werd bij het eerste overlijden, in mindering worden gebracht van het aandeel in de goederen dat ze thans verkrijgen.

Als de tweede ouder echter de hoedanigheid heeft van niet-rijksinwoner, kan dit bedrag slechts in mindering worden gebracht indien en in de mate dat het bij het eerste overlijden werd toegerekend op de waarde van de in België gelegen onroerende goederen.

 

2. Verblijvingsbedingen en keuzebedingen met last

Een keuzebeding met last is een huwelijksovereenkomst waarbij de langstlevende de mogelijkheid heeft uit het gemeenschappelijk vermogen die goederen (of parten van goederen) of rechten op goederen (bv. vruchtgebruik) te kiezen die in de kavel van de langstlevende worden geplaatst.

Komt de keuze erop neer dan de langstlevende meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen verkrijgt, dan is ze een “opleg” verschuldigd gelijk aan de waarde van de netto-overbedeling.

Bepaalt de huwelijksovereenkomst dat het gemeenschappelijk vermogen voor de totaliteit verkregen wordt door de langstlevende, op last een opleg te betalen die gelijk is aan de waarde van de netto-helft van het gemeenschappelijk vermogen, dan gaat het om een verblijvingsbeding met last.

Hierna wordt verduidelijkt hoe dergelijke bedingen moeten worden behandeld voor de heffing van de erfbelasting.

1) Toestand bij het eerste overlijden

Er moet onderscheid worden gemaakt tussen de twee volgende situaties:

  • het beding is opgevat als een modaliteit van de eigenlijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen (conventionele uitbreiding van art. 1446 BW);
  • het beding is opgevat als een modaliteit van de toebedeling van het gemeenschappelijk vermogen.

In het eerste geval wordt het gemeenschappelijk vermogen (GV), op het ogenblik van het overlijden, bij helften verdeeld. Vermits er geen sprake is van overbedeling in hoofde van de langstlevende echtgenoot, is er geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

Het keuzebeding krijgt pas zijn afwikkeling “onder de levenden”, op het ogenblik dat de langstlevende en de mede-erfopvolgers effectief overgaan tot de verdeling. Zijn er bij die verdeling onroerende goederen betrokken, die anders worden verdeeld dan bij helften, dan valt deze verrichting onder de toepassing van de registratiebelasting (verdeelrecht in het geval van verdeling of omzetting van vruchtgebruik).

In het tweede geval wordt het GV, op het ogenblik van het overlijden, toebedeeld volgens de keuze die de langstlevende maakt. Alles wat de langstlevende niet kiest, gaat naar de nalatenschap en volgt de devolutie van de nalatenschap.

Kiest de langstlevende in het totaal meer dan de netto-helft van het gemeenschappelijk vermogen, dan moet ze een opleg betalen aan de nalatenschap. Deze opleg is gelijk aan de waarde van de netto-overbedeling die de langstlevende krijgt.

Deze opleg is een roerende schuldvordering van de nalatenschap. De langstlevende verkrijgt het vruchtgebruik van deze vordering en de mede-erfopvolgers de blote eigendom.

Soms is er overeengekomen dat deze opleg intresten genereert maar in andere gevallen niet. Rekening houdend met het feit dat deze intrestlast en het vruchtgebruik van de schuldvordering DAT toekomt aan de langstlevende echtgenoot elkaar opheffen, wordt met deze eventuele intrestlast of het ontbreken ervan geen rekening gehouden. De last, tegelijk schuldvordering, worden dus begroot op hun nominaal bedrag.

Dit betekent dat, als de last effectief gelijk is aan de waarde van de netto-overbedeling, de last de overbedeling compenseert en er dus geen toepassing wordt gemaakt van artikel 2.7.1.0.4.

2) Toestand bij het tweede overlijden

Indien en in de mate dat de erfopvolgers van de tweede echtgenoot dezelfde zijn als de erfopvolgers van de eerste echtgenoot, en in de mate dat de tweede echtgenoot nog niet is overgegaan tot de betaling van de last, is er bij het overlijden van de tweede echtgenoot sprake van een schuld die tenietgaat door vermenging.

Deze tenietgegane schuld is niet aanvaardbaar is het passief. De erfgenamen die bij het eerste overlijden een schuldvordering bekwamen, zijn echter geen erfbelasting verschuldigd in de mate dat ze thans betaling van hun schuldvordering bekomen.

De waarde van de (roerende) schuldvordering die in hoofde van deze erfopvolgers werd belast bij het eerste overlijden mag dus in mindering worden gebracht van hun belastbaar aandeel in de tweede nalatenschap.

 

Noot: Dit standpunt is sinds 24.12.2017 niet meer van toepassing  gelet op het nieuwe artikel 2.7.3.2.14 VCF en de aanpassing in artikel 2.7.3.4.1 VCF waardoor de schuldvorderingen die ontstaan ingevolge verrekenbedingen of verblijvingsbedingen met last geen invloed meer kunnen hebben op de berekening van de erfbelasting. De desbetreffende schuldvorderingen kunnen dus geen deel meer uitmaken van actief noch passief. Om de correlatie niet te doorbreken in het geval  het eerste overlijden vóór 24.12.2017 plaats had en het tweede overlijden na 23.12.2017, zal VLABEL billijkheidshalve met betrekking tot de verblijvingsbedingen met last als volgt te werk gaan voor de heffing van de erfbelasting:

Als bij het eerste overlijden, vóór 24.12.2017,  de schuldvordering werd aangegeven in het actief, zal er bij het tweede overlijden, na 23.12.2017, conform standpunt 16053  geen passiefaftrek mogelijk zijn als de erfgenamen dezelfde zijn. Er gebeurt wel een verrekening van het bedrag waarop door deze erfgenamen bij het eerste overlijden reeds erfbelasting is betaald.

 

------------

  • publicatie op 07.07.2016
  • Noot toegevoegd op 08.01.2018