Verdeelrecht - Beëindiging onderonverdeeldheid

Standpunt nr. 16110 dd. 05.12.2016

Art. 2.10.3.0.1. VCF


 

Moeder en zoon kopen een woning aan, elk voor de helft.

De moeder overlijdt en haar helft komt toe aan haar zoon en dochter. De zoon heeft nu dus ½ (door de aankoop) + ¼ (door erfenis).

Situatie 1: De zus staat later haar deel (1/4) af aan haar broer.

Er wordt verdeelrecht geheven op de helft van de waarde van het goed, want de onderonverdeeldheid wordt beëindigd. Voorwaarde is dat uit de akte niet blijkt dat het ook de bedoeling van de partijen was om de hoofdonverdeeldheid te doen ophouden. M.a.w. het doel is de onderonverdeelheid te doen ophouden. Het feit dat ook de hoofdonverdeelheid beëindigd wordt, vloeit hier toevallig uit voort.

Situatie 2: De broer staat ¼ van zijn rechten af aan zijn zus, zodat beiden voor de helft eigenaar worden.

Er wordt verdeelrecht geheven op de helft van de waarde van het goed, want de onderonverdeeldheid wordt beëindigd.

Situatie 3: Bij het overlijden van de moeder erf de zoon enkel 1/4 VG en iemand anders 1/4 BE en 1/4 VE. Deze laatste staat al zijn rechten af aan de zoon.

Er wordt verdeelrecht geheven op de totale waarde van het goed want er bestaat geen onderonverdeeldheid in eigendom aangezien de zoon enkel VG kreeg in de nalatenschap.  De hoofdonverdeeldheid is hier de enige onverdeeldheid in eigendom en deze wordt beëindigd.

 

-----------

  • publicatie op 03.01.2017