Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 100 W.Succ. (huidig art. 3.13.1.3.1. VCF)

Voorwerp betwisting

Fruits of the poisonous tree

Rechtbank of Hof

Hof van Cassatie

Plaats

/

Rolnummer

F.14.0038.N/1

Datum uitspraak

06/03/2015

Status

Definitief

 

Samenvatting 

Het arrest van het Hof van Cassatie van 6 maart 2015[1] bevestigt de theorie van de ‘fruits of the poisonous tree’, maar met een belangrijke nuance.

 

1. Begrip

In de fiscale procedure gelden verschillende voorschriften die bij overtreding ervan tot gevolg hebben dat de daaropvolgende taxatie nietig is (bvb. art. 333, lid 3 WIB 1992). Algemeen wordt aangenomen dat die nietigheid ook de geldigheid aantast van alle andere onderzoeken die gesteund zijn op de resultaten van het eerste, onrechtmatige onderzoek. In de rechtsleer spreekt men van de theorie van de ‘fruits of the poisonous tree’ wanneer een onregelmatige onderzoeksdaad meteen een smet werpt op het gehele fiscale onderzoek vermits de resultaten van alle navolgende (rechtmatige) onderzoeksmaatregelen door dezelfde onrechtmatigheid zullen worden aangetast . Als de 'boom' vergiftigd is, zijn meteen alle vruchten van de vergiftigde boom ook aangetast.

 

2. Feiten en procedurele voorgaanden

De belastingplichtigen zijn erfgenamen van de erflater ingevolge wettelijke devolutie. Uit stukken van het zogenaamde KB-LUX dossier - meer bepaald ‘microfiches’ waarvan de herkomst niet kon worden aangetoond (!) - was gebleken dat de erflater over een rekening te Luxemburg zou beschikken waarvan door de BP geen melding werd gemaakt in de aangifte van nalatenschap. Na inzage in het KB-LUX dossier bracht een bankonderzoek door de Belgische Staat bij BANK X in het kader van artikel 100 W. Succ. (tegenwoordig art. 3.13.1.3.1 VCF) verder aan het licht dat van een rekening van de erflater, binnen de drie jaar vóór zijn overlijden, in totaal 15.000.000 BEF (371.840,28 EUR) was afgehaald. De BP werden door de Belgische Staat verzocht om een bijvoeglijke aangifte in te dienen zowel voor de tegoeden bij KB-LUX als voor de voor het overlijden afgehaalde tegoeden bij BANK X. Aangezien de BP dit nalieten, werd ten hunne laste een dwangbevel uitgevaardigd. Bij dagvaarding van 29 oktober 2003 vorderden de BP voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen de vernietiging van dit dwangbevel. Deze rechtbank verklaarde bij vonnis van 31 maart 2010 het dwangbevel gegrond in zoverre het steunde op de resultaten van het bankonderzoek bij  BANK X. De vordering met betrekking tot de beweerde rekening bij KB-LUX werd daarentegen geschorst tot zolang niet definitief was beslist over de strafvordering met betrekking tot dit strafdossier. In graad van beroep oordeelde het Hof van Beroep te Antwerpen bij het thans bestreden arrest d.d. 7 februari 2012 dat er geen successierechten zijn verschuldigd op de tegoeden die de erflater volgens de Belgische Staat had bij KB-LUX aangezien de fiches uit de strafzaak KB-LUX niet door de administratie als bewijs kunnen worden aangewend bij gebrek aan bewezen toelating vanwege de Procureur-generaal tot inzage van dat dossier. Wat de geldafnames betreft bij BANK X werd het vonnis van de eerste rechter bevestigd. Het loutere feit dat er zonder de KB-LUX zaak geen bankonderzoek bij  BANK X zou zijn ingesteld, was volgens de appelrechters niet van belang om uit te maken of de administratie rechtmatig tot het bankonderzoek is overgegaan.

 

3. Het Hof van Cassatie

In haar arrest van 6 maart 2015 bevestigt het Hof van Cassatie nu ook met zoveel woorden de theorie van de ‘fruits of the poisonous tree’: “In geval wordt besloten tot bewijsuitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijselementen, treft de bewijsuitsluiting ook de resultaten van alle volgende, regelmatig uitgevoerde onderzoeksmaatregelen die steunen op het eerder verkregen onrechtmatig verkregen bewijs.” Maar het Hof voegt er een belangrijk voorbehoud aan toe: “De enkele omstandigheid dat onrechtmatig verkregen bewijzen aanleiding waren tot het uitvoeren van een nieuwe onderzoeksmaatregel heeft niet tot gevolg dat de resultaten van deze nieuwe onderzoeksmaatregel die zelf niet steunen op de onrechtmatig verkregen bewijzen, niet in aanmerking mogen worden genomen.” Interessant is de link die de Advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie in de conclusie van het Openbaar Ministerie maakt met de Antigoonrechtspraak[2] van het Hof. Volgens hem gaat de rechtsleer er in deze omstandigheden terecht van uit dat de problematiek van het onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken, zoals in strafzaken, dient beoordeeld te worden in het licht van de Antigoonrechtspraak. Zulks impliceert dat bewijsuitsluiting slechts geoorloofd is: 1) hetzij bij schending van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschriften; 2) hetzij wanneer de onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast; 3) hetzij wanneer het gebruik van het bewijs strijdt met het recht op een eerlijk proces; 4) hetzij bij schending van substantiële voorschriften die de organisatie van hoven en rechtbanken betreffen met betrekking tot de verdeling van hun respectieve bevoegdheden.

 

[1] Zie ook J. Van Dijck, Cassatie bevestigt theorie van de 'fruits of the poisonous tree, fiscoloog 2015, 1426, p.1.