Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 10 W.Succ. (nieuw art. 2.7.1.0.8., 1ste lid en 2de lid, 1° VCF)

Voorwerp betwisting

Toepassing oud fictieartikel 10 W. Succ.

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Antwerpen

Rolnummer

2014/AR/2068

Datum uitspraak

28/4/2015

Status

Definitief

 

Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft in een arrest van 28 april 2015 uitspraak gedaan omtrent de toepassing van het fictieartikel 10 W. Succ.

1. De feiten

Mevrouw A, die op 1 mei 2009 overleed, en haar broer, de heer Y, die op 4 februari 2011 overleed, bezaten samen, ieder voor de helft in volle eigendom, een onroerend goed gelegen te Mechelen.

De nalatenschap van Mevrouw A kwam toe aan haar twee kinderen, zoon B en dochter C, zodat na haar overlijden de onverdeelde eigendom van het onroerend goed er als volgt uitzag: 

  • Broer Y bezat ½ volle eigendom;
  • Zoon B en dochter C bezaten ieder ¼ volle eigendom.

Bij notariële akte verleden op 23 maart 2010 droeg broer Y de blote eigendom van zijn helft van het onroerend goed over aan zoon B en dochter C (van Mevrouw A) voor een bedrag van 176.000,00 EUR, zijnde 88.000 EUR voor ieder van hen. Hij behield zich het vruchtgebruik voor.

De koopsom van de blote eigendom ten bedrage van 176.000,00 EUR werd op dat moment niet aan broer Y betaald. In de notariële akte werd vermeld dat zoon B en dochter C zich er toe verbonden om deze som (ieder 88.000,00 EUR) later aan hem te betalen op de tijdstippen in onderling overleg te bepalen.

Bij notariële akte verleden op 13 januari 2011 deed broer Y twee schenkingen. Hij schonk aan zoon B en dochter C (van Mevrouw A) de schuldvordering ten belope van elk 88.000,00 EUR.

Korte tijd later, op 4 februari 2011, overleed broer Y. Zijn nalatenschap kwam ingevolge de wet toe aan zijn neef en nicht, zoon B en dochter C (van Mevrouw A).

De belastingadministratie oordeelde dat toepassing kon gemaakt worden van het fictieartikel 10 W. Succ. op de akte afstand-verdeling van 23 maart 2010.

2. Begrip

Artikel 10 W. Succ. (tegenwoordig Art. 2.7.1.0.8, eerste lid en tweede lid, 1° en Art. 2.7.3.3.4 VCF), zoals van toepassing ten tijde van het overlijden van broer Y, luidde als volgt:

Art. 10. In geval van verdeling of van met verdeling gelijkstaande akte, waarin de overledene toebedeeld werd een vruchtgebruik, een rente of elk ander recht dat bij zijn overlijden moet vervallen, wordt de verrichting, voor de heffing van de rechten van successie en van overgang bij overlijden, gelijkgesteld met een legaat ten behoeve van de deelgenoten van de overledene, verkrijgers van de blote eigendom of belast met het levenslang recht, in de mate waarin evenbedoelde personen goederen in eigendom boven hun deel in de onverdeeldheid hebben verkregen.

                De belastbare waarde wordt bepaald door een breuk van de waarde, ten dage van het overlijden, van de goederen toebedeeld in eigendom aan elkeen van bedoelde deelgenoten, breuk uitgedrukt door de verhouding die bestaat, ten dage van de verdeling, tussen het bedrag der bedekte bevoordeling en de waarde der in eigendom toebedeelde goederen.

                Dit artikel is niet van toepassing wanneer er bewezen wordt dat de verdeling geen bevoordeling ten behoeve van de verscheidene mederechthebbenden in de onverdeeldheid bedekte.

Het is aldus duidelijk dat de verrichting van 23 maart 2010 onder toepassing valt van artikel 10 W. Succ. daar aan alle toepassingsvoorwaarden zijn voldaan:

  • De handeling, gesteld door de broer Y wordt voorgesteld als een handeling onder bezwarende titel. Er werd een prijs bedongen van 176.000,00 EUR in totaal, hetzij 88.000,00 EUR per overnemende partij.
  • De medecontractanten, zoon B en dochter C (van Mevrouw A).hebben de bedinger, broer Y overleefd en zijn diens erfgenamen.
  • Er bestond een onverdeeldheid tussen broer Y enerzijds en zoon B en dochter C (van Mevrouw A) anderzijds met betrekking tot het onroerend goed.
  • Er vond een verdeling of een met verdeling gelijkstaande akte in de zin van artikel 10 W. Succ. plaats.
  • Broer Y behield zich het vruchtgebruik voor van het deel dat overgedragen werd aan zoon B en dochter C (van Mevrouw A).

De door zoon B en dochter C (van Mevrouw A) verkregen goederen worden derhalve geacht als legaat te zijn verkregen van broer Y, in de mate dat ze hun aandeel in de onverdeeldheid te boven gaan, behoudens tegenbewijs.

Artikel 10 W. Succ. is niet van toepassing wanneer er wordt bewezen dat de verdeling geen bevoordeling ten behoeve van de mederechthebbenden in de onverdeeldheid bedekte.

De levering van het tegenbewijs houdt in dat men de gelijkwaardigheid van de prestaties dient aan te tonen. Hiertoe dient men onder meer aan te tonen:

  • Dat de prestaties die bedongen werden in het voordeel van broer Y theoretisch gelijkwaardig waren aan de afstand in eigendom, verricht in het voordeel van de medegerechtigden in onverdeeldheid;
  • Dat er een werkelijke verplichting tot uitvoering van de tegenprestatie bestond;
  • Dat de tegenprestatie daadwerkelijk werd uitgevoerd.

Er is in casu geen betwisting over het feit dat de tegenprestatie theoretisch gelijkwaardig was. De discussie betreft de vraag of er een werkelijke verplichting bestond tot uitvoering van de tegenprestaties en of deze effectief werden uitgevoerd.      

3. Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 28 april 2015

Het staat volgens het Hof vast dat de prijs van 88.000,00 EUR op het moment van de verdeling niet werd betaald. Dit blijkt uit de akte van 23 maart 2010, waarin uitdrukkelijk werd bepaald dat de prijs later te betalen was.

De bewering dat de verplichting tot betaling van de prijs werd omgezet in een schuldvordering is niet geloofwaardig. De bedoelde verklaring in de akte van 23 maart 2010 bevat geen termijn binnen dewelke de overnemers het verschuldigde bedrag dienden te voldoen. Er werden evenmin modaliteiten van betaling afgesproken, zoals waarborgen, te betalen intresten en wijze van betaling.

Bovendien heeft broer Y de schuldvordering nog geen jaar later weggeschonken, waardoor het vermoeden dat hij nooit de intentie had om de prijs op te eisen bevestigd wordt.

Het Hof oordeelt dat niet aangetoond werd dat de verplichting tot betaling van de prijs werd omgezet in een schuldvordering. Het overeengekomen bedrag van 88.000,00 EUR werd nooit betaald en bovendien wordt niet aangetoond dat bij de erflater ooit de intentie bestond dit bedrag te doen betalen.

Het Hof oordeelt aldus dat de belastingplichtigen er niet in slagen om aan te tonen dat er in deze geen bevoordeling heeft plaatsgevonden. Het tegenbewijs van het vermoeden van artikel 10 W. Succ. werd aldus niet geleverd.

Het arrest is na betekening in kracht van gewijsde getreden.