Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 8, zesde lid, 3° W. Succ (tegenwoordig art. 2.7.1.0.6, §2, derde lid, 3° VCF

Art. 137, eerste lid, 4° W.Succ. (tegenwoordig art. 3.3.3.0.1, §4/1 VCF)

Voorwerp betwisting

Belastbaarheid groepsverzekering - Vermelding pro memorie

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Brussel

Rolnummer

2010/AR/2206

Datum uitspraak

29/04/2015

Status

Definitief

 

Samenvatting

1. De feiten

Door de erfgenamen werd een aangifte van nalatenschap ingediend waarbij er pro memorie een groepsverzekeringscontract werd vermeld.

De decujus trad in 1981 in dienst bij NV X waarbij hij dan bij dwingend ondernemingsreglement toetrad tot een groepsverzekering van dat bedrijf. Vanaf 31.10.1995 beëindigde de werkgever de bediendenovereenkomst van de decujus.

De dading die de decujus en NV Y (waar NV X intussen deel van uitmaakt) op 20.07.1996 sloten, bevatte een loonregeling met opzeggingsvergoeding en pensioenvoorzieningen gesteld in kader van groepsverzekering.

De pensioenvoorziening betrof twee luiken. Een eerste luik bestond uit een eenmalige premie die volgens de termen van de dading een compensatie is voor de rechten die de decujus verloor tijdens zijn tijdelijk detachering in Frankrijk. Het tweede luik werd gevormd door een kapitaalsuitkering bij leven en overlijden. Volgens de termen van de dading vindt de storting van de premie aan het pensioenplan zijn reden in de erkentelijkheid wegens de lange en uitzonderlijke loopbaan van de decujus binnen de groep.

Er worden door de FOD Financiën bijvoeglijke rechten gevorderd op het uitgekeerde bedrag, samen met boete verzuim (verhoogd wegens invordering dwangschrift). Dit omdat de administratie meent dat de som wél belastbaar is (en ze dit pro memorie hebben aangegeven).

Tegenpartij argumenteert in zijn besluiten dat de aanduiding pro memorie naast de kantlijn in de aangifte er enkel op gericht was aan te duiden dat naar hun mening de som niet belastbaar was op basis van art. 8, zesde lid, 3° W. Succ (tegenwoordig art. 2.7.1.0.6, §2, derde lid, 3° VCF). Er is volgens tegenpartij geen sprake van verzuim van aangifte, wel hoogstens van een onjuiste aangifte, zodat de vijfjarige termijn van art. 137, eerste lid, 4° W.Succ. (tegenwoordig art. Art. 3.3.3.0.1, §4/1VCF) van toepassing is.

2. Arrest van het Hof van Beroep te Brussel

Het Hof van Beroep stelt dat indien de belastingplichtige het uitgekeerde verzekeringsbedrag pro memorie vermeldt, dit niet anders kan uitgelegd worden dan dat zij van mening waren dat deze som niet als actief van de nalatenschap mocht worden beschouwd en die som dus niet aan de successierechten onderworpen is. Dit is zonder meer verzuim van aangifte van goederen. De tienjarige verjaring van art. 137,3° (tegenwoordig art. 3.3.3.0.1, §4/1VCF) is van toepassing en er is zodoende geen verjaring opgetreden.

Wat betreft de fictiebepaling van artikel 8 W. Succ. zelf:

Hier is er geen sprake van de uitzondering in artikel 8, zesde lid, 3° W. Succ. – er is met name niet voldaan aan de voorwaarde dat het aan de erfgenamen gestorte bedrag zijn oorzaak vindt in stortingen gedaan ter uitvoering van een op alle werknemers van toepassing zijnde, bindend ondernemingsreglement. Het betreft geïndividualiseerde stortingen die aanleiding geven tot een geïndividualiseerde vergoeding.

Het in het geding uitgekeerde kapitaal vindt louter zijn oorsprong in de pensioenregeling uitgewerkt in de ontslagregeling van de decujus.

Niettegenstaande een attest van de bank dat het uitgekeerde kapitaal vrijgesteld is van art. 8 W. Succ. doet dit geen afbreuk aan de strikt gepersonaliseerde pensioenregeling van de decujus. Op basis van het feit dat luidens de dading de pensioenregeling werd voorzien als compensatie voor het verlies van rechten ingevolgde de tijdelijke detachering naar Frankrijk is er geen schending van de regels inzake het burgerschap van de Unie en vrij verkeer van werknemers binnen de EU. Dergelijke compensatie had evenzeer kunnen overeengekomen worden in geval van herstructurering na detachering naar een Belgische dochtervennootschap met verplichte aansluiting bij de groepsverzekering van deze vennootschap.

Er is geen reden om een prejudiciële vraag (wat tegenpartij in ondergeschikte orde had gevraagd) aan het Hof van Justitie te stellen.

Echter wat betreft de boete wegens verzuim van aangifte van goederen (art. 126 W. Succ.) verhoogd met 50% wegens invordering bij dwangschrift stelt het Hof dat er vele jaren verliepen vanaf de indiening van de aangifte tot uitvaardiging dwangbevel (7 jaar). Om deze reden wordt de boete die vastgesteld werd n.a.v. het dwangbevel volledig kwijtgescholden.