Belasting

Erfbelasting

Artikel

Artt. 3.14.1.0.1.; 3.6.0.0.1.; 3.6.0.0.4.; 3.3.1.0.6. VCF

Voorwerp betwisting

Nieuwe interpretatie van het testament door de belastingplichtige bij het indienen van de bijvoeglijke aangifte

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Antwerpen

Rolnummer

2014/AR/1282

Datum uitspraak

15/09/2015

Status

Definitief

 

Samenvatting

Het geschil betreft de verwerping van de administratie van het verzoek tot teruggave van de belastingplichtigen van successierechten ten bedrage van 845.515,10 EUR. De discussie ging over de interpretatie van het testament van de erflater met Nederlandse nationaliteit. De tegenpartij/belastingplichtigen zijn de vrouw van de erflater en zijn 2 kinderen uit zijn tweede huwelijk. Hij had ook een zoon uit een eerste huwelijk.

In hoofdorde stellen de belastingplichtigen dat de vordering van successierechten van de administratie verjaard is (art. 137,1° W. Succ. / tegenwoordig art. 3.14.1.0.1 VCF). In ondergeschikte orde beweren ze dat de successierechten foutief zijn berekend ingevolge toepassing van een onjuiste devolutie, zijnde de wettelijk verdeling naar Nederlands recht (misslag in de oorspronkelijke aangifte (art. 135, 6° W. Succ. / tegenwoordig art. 3.6.0.0.1 en art. 3.6.0.0.4 VCF)/wijziging in de devolutie (art. 37,3° W. Succ. / tegenwoordig art. 3.3.1.0.6, eerste lid VCF)). Hierdoor zou het overgrote deel van de nalatenschap, met name aandelen in de familiale onderneming, vrijgesteld zijn van successierechten. In meer ondergeschikte orde tot slot stellen ze dat de vorderingen van de 2 kinderen op de nalatenschap geen activa van de nalatenschap zijn en dan ook niet onderworpen zijn aan successierechten.

Wat de verjaring betreft stelt het Hof dat “betaling ten bezwarende titel en onder voorbehoud van betwisting van de aanslagen” niet anders kan geïnterpreteerd worden dan dat de belastingplichtigen zich het recht hebben voorgehouden om bij eventuele wijziging van de devolutie een nieuwe aangifte in te dienen en mogelijks terugbetaling te bekomen van de betaalde rechten in de in het W. Succ. opgesomde gevallen. Dit voorbehouden recht hebben zij ook effectief uitgeoefend door het indienen van een bijvoeglijke aangifte. Dit voorbehoud doet echter geen enkele afbreuk aan het feit en kan niet anders worden opgevat dan dat door de betaling van de op grond van de oorspronkelijke ingediende aangifte verschuldigde rechten de verbintenis op grond van deze oorspronkelijke aangifte is uitgedoofd. De bevrijdende verjaring is op die verbintenis dan ook niet meer van toepassing.

Wat het tweede punt betreft is het hof van oordeel dat er geen verandering van devolutie ontstaat. Het betreft immers een nieuwe interpretatie van het testament door de belastingplichtigen bij het indienen van de bijvoeglijke aangifte in vergelijking met de oorspronkelijke aangifte. Uit het testament blijkt geenszins dat door de erflater afgeweken werd van Nederlandse wettelijke verdeling ingeval zijn zoon, zoals te dezen, berustte in de bepalingen van het testament. Volgens het Hof blijkt geenszins dat er een missing werd begaan in de oorspronkelijke aangifte wat betreft de devolutie. De berekening van successierechten op basis van de devolutie in de eerste aangiften gebeurde correct.. Er werd dan ook correct toepassing gemaakt van art. 60bis Vl. W. Succ (opgeheven bij art. 80 decreet 23 december 2011, BS 30 december 2011 (ed. 4), met ingang van 1 januari 2012).

Tot slot stelt het Hof vast dat een correcte berekening gebeurde van de successierechten op de vorderingsrechten van beide dochters en die terecht werden belast met het successierecht.