Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 37, 2° W.Succ. (tegenwoordig 3.3.1.0.6, eerste lid van VCF)

Voorwerp betwisting

Actueel worden van een eventueel vruchtgebruik

Rechtbank of Hof

Hof van Cassatie

Plaats

Brussel

Rolnummer

F.14.0133.N/1

Datum uitspraak

24/09/2015

Status

doorverwijzing

 

Samenvatting

1. De feiten

X, rijksinwoner is overleden op 31 maart 1995. Ingevolge de wet heeft hij als erfgenamen nagelaten:

  1. zijn echtgenote Y voor het vruchtgebruik;
  2. zijn dochter A voor 1/3 blote eigendom;
  3. zijn dochter B voor 1/3 blote eigendom;
  4. zijn dochter C voor 1/3 blote eigendom.

Deze aangifte vermeldde het bezit in hoofde van X van 1/4 blote eigendom in een nijverheidsgebouw waarvan het vruchtgebruik tijdelijk toehoorde aan de NV Z ingevolge akte dd. 15 september 1992 voor een periode van 10 jaar te beginnen vanaf 15 september 1992.

De langstlevende echtgenote erfde dus het eventueel vruchtgebruik van het nijverheidsgebouw. Aangezien de erfrechtelijke verkrijging van een eventueel vruchtgebruik geschiedt onder de schorsende voorwaarde dat de erfopvolger de actuele vruchtgebruiker overleeft, is de erfopvolger-vruchtgebruiker de successiebelasting enkel verschuldigd bij het actueel worden van zijn recht. De langstlevende echtgenote diende dus geen successierecht te betalen op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap.

De drie kinderen waren wel successierecht verschuldigd op de blote eigendom die ze erfden van dit onroerend goed.

De langstlevende echtgenote brengt haar eventueel vruchtgebruik in in een vennootschap.

Het bovenvermelde tijdelijk vruchtgebruik verstreek op 15 september 2002. Hierdoor werd de actieve samenstelling van de nalatenschap in voordeel van de erfopvolger vermeerderd en was de langstlevende echtgenote gehouden bij toepassing van artikel 37,2° W. Succ. tot het indienen van een nieuwe aangifte van nalatenschap en waren hierover de successierechten verschuldigd.

De langstlevende echtgenote diende echter geen bijkomende aangifte in. De fiscale Administratie verzocht middels brief van 18 januari 2008 de gemachtigde notaris van de langstlevende om, in toepassing van artikel 37,4° W.Succ. een nieuwe aangifte in te dienen vermits het eventueel vruchtgebruik van de langstlevende actueel werd op 15 september 2002.

Aangezien deze nieuwe aangifte van nalatenschap niet tijdig kon worden bekomen, en de Administratie op grond van artikel 47 van het Wetboek der Successierechten gerechtigd is van ambtswege, behoudens latere regeling in min of in meer, het bedrag van de verschuldigde sommen te begroten werd een dwangschrift uitgevaardigd waarbij de verschuldigde sommen aldus ambtshalve werden begroot door de administratie.

In het dwangschrift werd ook opgemerkt dat de langstlevende de ambtshalve aanslag niet kon betwisten zolang geen regelmatige aangifte werd ingediend. De Administratie stuurde nog meermaals aan op het indienen van een bijvoeglijke aangifte van nalatenschap en vermeldde dat de wettelijke verplichting in casu voortspruit uit artikel 37, 2° W.Succ en niet uit 37, 4° W.Succ. zoals verkeerdelijk vermeld in de brief van 18 januari 2008. De langstlevende bleef bij haar standpunt dat geen nieuwe aangifte diende te worden ingediend zodat uiteindelijk verzet werd aangetekend tegen het dwangschrift.

 

2. Artikel 37,2° W. Succ. (tegenwoordig artikel 3.3.1.0.6, eerste lid van VCF)

Een nieuwe aangifte moet ingeleverd worden:

2° wanneer, na het openvallen van de nalatenschap, de actieve samenstelling ervan vermeerderd wordt, hetzij door het intreden van een voorwaarde of van elk ander voorval, (…);

Het "intreden van elk ander voorval" in de zin van artikel 37, 2° W.Succ. waardoor na het openvallen van de nalatenschap de samenstelling ervan vermeerderd wordt, is een begrip dat dient begrepen te worden als een juridisch feit van na het overlijden dat, op basis van de toestand zoals hij zich voordeed op dat ogenblik, wijzigingen teweeg brengt in het patrimonium van de overledene.

Dit begrip doelt enkel op een juridisch feit waardoor na het overlijden de werkelijke samenstelling van de nalatenschap op het ogenblik van het overlijden wordt vastgesteld.[1]

 

3. Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd. 04.01.2012

a. Betwisting

De langstlevende echtgenote stelde dat het dwangschrift onvoldoende gemotiveerd was bij gebrek aan vermelding van: a) de specifieke juridische grondslag, en; b) de berekening van de gevorderde successierechten.

Zij meende verder ook dat ze niet gehouden was tot het indienen van een nieuwe aangifte vermits ze geen enkel voordeel verkreeg bij het eindigen van het tijdelijk vruchtgebruik doordat haar vruchtgebruik reeds voorheen was overgedragen aan een derde.

b. Beslissing

De rechtbank oordeelde dat de juridische grondslag voldoende werd gemotiveerd in het dwangschrift. Er was in het dwangschrift immers vermeld dat het vruchtgebruik van de langstlevende actueel was geworden waardoor de actieve samenstelling van de nalatenschap werd vermeerderd in haar voordeel en dat zij bij toepassing van artikel 37 W.Succ. gehouden was tot het indienen van een aangifte. Hoewel in het dwangschrift niet uitdrukkelijk werd verwezen naar de specifieke juridische grondslag van artikel 37, 2° W.Succ. bleek volgens de rechtbank uit de bewoordingen van het dwangschrift voldoende duidelijk dat artikel 37, 2° W.Succ. van toepassing was.

Wat het gebrek aan vermelding van de berekening van de gevorderde successierechten betreft oordeelde de rechtbank dat bij gebrek aan tijdige aangifte het verschuldigde bedrag ambtshalve mocht worden begroot. Zolang er geen aangifte was ingediend kon de ambtshalve begroting niet worden betwist zodat de berekening dan ook niet moest worden vermeld in het dwangschrift. Het gegeven dat het eventueel vruchtgebruik werd ingebracht in een vennootschap, zodat de langstlevende geen enkel voordeel meer zou verkregen hebben bij het einde van het tijdelijk vruchtgebruik, doet volgens de rechtbank geen afbreuk aan de verplichting om een nieuwe aangifte in te dienen o.g.v. artikel 37, 2° W.Succ. De inbreng in de vennootschap is een zuiver vrijwillige handeling die de rechten van de schatkist niet kan beïnvloeden.

 

4. Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 05.11.2013

Het hof van beroep te Antwerpen is evenwel op het vlak van de motivering van het dwangschrift een andere mening toegedaan. Ten gronde spreekt zij zich niet uit maar vernietigt het dwangschrift wegens gebrekkige motivering. Het Hof oordeelt in casu dat het dwangschrift nietig dient verklaard te worden daar het dwangschrift een rechtshandeling overeenkomstig de wet van 29.07.1991 is zodoende dat er moet kunnen worden nagegaan worden op welke wijze de administratie tot de bepaling van het bedrag is overgegaan. Het hof oordeelt dat dit niet het geval was zodat het dwangschrift nietig wordt verklaard.

 

5. Arrest van het Hof van Cassatie dd. 24.09.2015

Door het dwangschrift nietig te verklaren om reden dat het geen verantwoording bevat voor het bedrag aan bijkomende rechten dat de administratie vordert en aan de hand waarvan de belastingplichtige moet kunnen nagaan op welke wijze de administratie tot de bepaling van dit bedrag is overgegaan, terwijl uit de voormelde vaststellingen van het arrest blijkt dat het dwangschrift het belastbare feit, de omvang en de oorzaak van de fiscale schuld en derhalve de afdoende motieven waarop het steunt vermeldt, schenden de appelrechters artikel 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen.

De overige grieven van de administratie (het gevelde arrest miskent de bewijskracht van het dwangschrift door te stellen dat de grondslag op basis waarvan het verschuldigd recht werd berekend niet werd vermeld in het dwangschrift, het arrest verantwoordde zijn beslissing niet naar recht door enkel te oordelen over de nietigheid van het dwangschrift en de teruggave van de betaalde sommen te bevelen zonder dat er uitspraak wordt gedaan over het bestaan en het verschuldigd zijn van de successieschuld ) kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

De zaak wordt doorverwezen naar het Hof van Beroep te Gent

 

[1] Arrest van het hof van beroep te Luik, van 6 februari 1985, Rec. gén., nr. 23.197 - bl. nr. E.E./82.485,Rep. RJ S37-2°/12-01 te raadplegen op www.fisconet.fgov.be