Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 60/1 W.Succ. (tegenwoordig art. 2.7.4.2.2 VCF)

Voorwerp betwisting

Familiale ondernemingen - Participatievoorwaarden - Onrechtstreekse participatie via vennootschap

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Gent

Rolnummer

2014/AR/1280

Datum uitspraak

29/9/2015

Status

Definitief (Hof van Cassatie F.16.0027.N van 10/2/2017)

 

Samenvatting

Mevrouw X overleed op 14/6/2012. Zij was volle eigenaar van 1.537 aandelen in de NV Y. Deze aandelen werden geërfd door de zoon van mevrouw X (tegenpartij in deze zaak) en enige wettige en reservataire erfgenaam.

Naast de 1.537 aandelen zijn er nog 8.513 aandelen in de NV Y, en zouden deze aandelen op datum van overlijden van mevrouw X in handen zijn van de BVBA Z. De aandelen in BVBA Z behoren via Burgerlijke Maatschap T toe aan de zoon van mevrouw X, zijn echtgenote en hun dochter. De zoon van mevrouw X bezit 15,29% van de aandelen (1.537/10.050) en de BVBA Z 84,71% van de aandelen (8.513/10.050).

Er wordt toepassing gevraagd van het verminderd tarief voor successierechten op grond van artikel 60/1 W. Succ. (thans art. 2.7.4.2.2 VCF)

Een essentieel twistpunt tussen de partijen is de vraag of de aandelen in handen van de BVBA Z te beschouwen zijn als in handen van de familie van de erflater of niet.

De zoon van mevrouw X verdedigt de stelling dat rekening moet gehouden worden met een onrechtstreekse participatie (via de BVBA Z) van de familie van de erflater voor de berekening van de 50% grens, en hij derhalve terecht aanspraak maakt op het verminderd tarief.

Het artikel 60/1 §1,2 ° W. Succ. (thans artikel 2.7.4.2.2 §1,2° VCF) eist dat op het ogenblik van het overlijden “ten minste 50% in volle eigendom toebehoren aan de erflater en/of zijn familie”. Voor wat betreft de aandelen eigendom van de BVBA Z is aan deze voorwaarde derhalve niet voldaan. De BVBA Z is een rechtspersoon en kan alsdusdanig niet worden beschouwd als “familie” in de zin van het artikel 60/1 W. Succ. De andersluidende stelling van de zoon van mevrouw X (die hierbij de afzonderlijke rechtspersoonlijkheid van de BVBA Z negeert) vindt in de wettekst geen enkele steun. De BVBA Z is ook een andere persoon dan de zoon van mevrouw X.

De aandelen eigendom van de BVBA Z kunnen derhalve niet in aanmerking genomen worden voor de berekening van de participatie met het oog op de toepassing van het verminderd successierecht voorzien bij het artikel 60/1, §1,2° W. Succ.

De zoon van mevrouw X stelt dat er een schending is van het gelijkheidsbeginsel (10, 11, 170 en 172 Gec. GW) en maakt een vergelijking met maatschappen en stichtingen die althans volgens de bewering van de zoon van mevrouw X, zich in een gelijkaardige situatie bevinden als de hier besproken BVBA Z.

Een essentieel verschil van de maatschap met de BVBA is dat de maatschap geen rechtspersoonlijkheid bezit en geen afgescheiden vermogen. De eigendom van ingebrachte aandelen gaat niet naar de maatschap over maar zal normalerwijze in mede-eigendom zijn tussen de leden van die maatschap, wat uiteraard niet het geval is bij een BVBA.

Ook tussen een stichting en de BVBA bestaan essentiële verschillen: de stichting heeft geen aandeelhouders of leden maar heeft een vermogen dat aangewend wordt voor een belangeloos doel. De stichting mag geen stoffelijk voordeel verschaffen aan de stichters, de bestuurders of enig ander persoon, derhalve in het laatste geval, indien dit kadert in de verwezenlijking van het belangeloos doel (art. 27 W 27.6.1921).

De maatschap en de stichting zijn klaarblijkelijk niet vergelijkbaar met de BVBA Z, zodat de door de appellant voorgestelde vraag aan het Grondwettelijk Hof niet dient te worden gesteld.