Belasting

Erfbelasting

Artikel

artikel 64,2de lid W. Succ. (tegenwoordig artikel 2.7.1.0.10, tweede lid VCF)  

artikel 65 W. Succ (tegenwoordig artikel 2.7.3.1.13 VCF)

Voorwerp betwisting

Omgekeerd duolegaat met bepaalbaar bedrag

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Gent

Rolnummer

2014/AR/2601

Datum uitspraak

22/12/2015

Status

Definitief

 

Samenvatting

Het arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 22/12/2015 is de eerste uitspraak in hoger beroep met betrekking tot het duolegaat met bepaalbaar bedrag.

1. Feiten

Bij notarieel testament heeft de erflater naast de aanstelling van de algemene legatarissen een legaat gemaakt aan een VZW van “een bedrag dat berekend zal worden zoals verder bepaald, onder de last voor de bijzondere legataris om alle successierechten die verschuldigd zijn op het netto-actief zoals vermeld in de aangifte van nalatenschap, ook deze van de algemene legatarissen te betalen. “

Het testament bepaalt verder: “Het totale bedrag dat moet toekomen aan de voormelde bijzondere legataris, zal op zulke wijze berekend worden dat aan de bijzondere legataris netto, dit is na het betalen van de gezegde successierechten, per slot van rekening een bedrag van 10.000 EURO toekomt”

De bevoegde ontvanger van het registratiekantoor houdt, bij de berekening van de op de ingediende aangifte van nalatenschap verschuldigde sommen, enkel rekening met het bepaalde bedrag van 10.000 EURO als legaat in hoofde van de VZW en niet met het (niet gespecificeerde en volgens de administratie onbepaalbare) bedrag aan verschuldigde successierechten.

De bevoegde ontvanger baseerde zich op artikel 64,2de lid (tegenwoordig artikel 2.7.1.0.10, lid 2 VCF) en artikel 65 W. Succ (tegenwoordig artikel 2.7.3.1.13 VCF). Noch in het betalingsbericht van de federale administratie noch in de daarbijgevoegde berekeningsbladen werd gemotiveerd waarom het standpunt van de legatarissen niet werd gevolgd.

2. Beoordeling door appelrechter

2.1. Motivering betalingsbericht

Het hof oordeelde dat het betalingsbericht gebrekkig was gemotiveerd. Ook in het schrijven van het ontvangkantoor nadien waarin werd verwezen naar twee gelijkaardige dossiers werd inhoudelijk niet gemotiveerd waarom niet kon akkoord gegaan worden met de zienswijze vervat in de aangiftes wat van onbehoorlijk bestuur getuigt. Evenwel, de vordering van de belastingoverheid met betrekking tot de successierechten is niet gesteund op een formele titel waarvan de geldigheid een instrument vormt om de belastingschuld te doen ontstaan, die bij gebrek aan motivering nietig zou zijn en de belastingschuld ongedaan zou kunnen maken.

Het aangevoerde gebrek aan motivering is dus niet dienend voor de door algemene erfgenamen gestelde vordering. Het geschil moet door een onderzoek naar de grond van de zaak worden beslecht.

2.2. Grond van de zaak – Partijen lezen het testament op een verschillende wijze

2.2.1. Zienswijze Fod thans Vlabel

De bijzonder legataris (vzw) draagt een last om de successierechten te betalen , wat krachtens artikel 64,2de lid W. Succ niet als een legaat kan worden gezien. In die optiek zou er aan de bijzonder legataris slechts een legaat zijn vermaakt voor een netto bedrag van 10.000 euro en dus gelet op de hierop verschuldigde rechten, vermeerderd met 880[1] euro, voor een bruto bedrag van 10.880 euro

2.2.2. Zienswijze algemene legatarissen

Het gaat om een omgekeerd duo-legaat dat civielrechtelijke volstrekt geldig is en waarmee de decujus tot doel heeft gehad gebruik te maken van  een fiscale techniek waarbij de VZW weliswaar 10.000 euro overhoudt maar wel degelijk als legaat het volledig  bedrag is vermaakt dat overeenstemt met enerzijds de 10.000 euro en anderzijds alle op de volledige erfenis verschuldigde successierechten. Het volstaat dat het overmaakte bedrag “bepaalbaar is “ zonder dat het testament een specifiek bedrag vermeldt. Zodoende zijn de artikelen 64,1ste lid en artikel 65 W. Succ toepasselijk. Dat de vzw als last is opgedragen om met het haar toegekende bedrag de successierechten (ook van de algemene legatarissen) te betalen zou verder geen legaat zijn zoals voorzien in artikel 64,2de lid W. Succ.

2.2.3. Beoordeling Hof van Beroep

Het Hof van Beroep stelt dat het civielrechtelijk niet vereist is om een legaat van een som geld te formuleren door het vermelden van een absoluut bedrag. Een formulering die toelaat het bedrag te bepalen op het moment dat de nalatenschap openvalt volstaat om een geldig legaat te vermaken. Er is ook geen enkele fiscale bepaling die toelaat een onderscheid te maken tussen de toekenning bij testament van enerzijds een absoluut bedrag en anderzijds een bedrag dat slechts (weliswaar met zekerheid) bepaalbaar is. In beide gevallen gaat het om “het geven door de (algemene) legatarissen van een kapitaal aan een met naam aangeduide derde” zoals in artikel 64,1ste lid W. Succ. bedoeld.

Het Hof van Beroep oordeelt dat het testament aan de algemene legatarissen opdraagt de last om het bijzonder legaat uit te keren en dat vervolgens uitdrukkelijk vermeld staat dat de decujus als bijzonder legaat aan de vzw ‘een bedrag’ geeft en legateert dat berekend zal worden zoals verder bepaald. Dat betekent dat de decujus een nog nader te bepalen bedrag legateert. De concrete omvang van dat legaat wordt in het testament bepaalt. De omschrijving in het testament is voldoende duidelijk en heeft een zeker bedrag tot resultaat te berekenen op datum van het openvallen van de nalatenschap.

De omschrijving kan niet gelezen worden als zou de decujus aan de bijzonder legataris slechts een bedrag van 10.000 euro hebben willen overmaken. Het (totale) bedrag dat aan de bijzondere legataris wordt gelegateerd is gelijk aan 10.000 euro meer alle verschuldigde rechten op de volledige nalatenschap.

Dat in de passus waarin ook de toekenning van het bijzondere legaat wordt geformuleerd, ook de last aan de bijzondere legataris wordt opgedragen om (met het gelegateerde bedrag) alle successierechten die verschuldigd zijn op het netto-actief zoals vermeld in de aangifte van nalatenschap, ook deze van de algemene legatarissen te betalen, doet niets af van het feit dat de decujus aan de bijzondere legataris (eerst) het nodige geld heeft gelegateerd.

 

 

[1] Ten tijde van overlijden van erflater bedroeg het successierecht voor de VZW 8,8%