Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 48 §2,2° W. Succ. (tegenwoordig art. 1.1.0.0.2, zesde lid, 4°, c) in de VCF)

Voorwerp betwisting

Feitelijk samenwonenden

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Brussel

Rolnummer

2011/AR/2035

Datum uitspraak

06/01/2016

Status

Definitief

 

Samenvatting

Het Hof van Beroep te Brussel heeft zich op 6 januari uitgesproken over de toepassing van artikel 48, §2, lid 9 Vl. W.Succ. (huidig art. 1.1.0.0.2, zesde lid, 4°, c) VCF)

Het Hof is van mening dat de feitelijke samenwoning gedurende een ononderbroken periode van één jaar vóór de datum van overlijden van de decujus voldoende wordt aangetoond.

Er werden voor wat betreft de samenwoning/gemeenschappelijke huishouding zestien verklaringen op eed voorgelegd van buren, en van een geneesheer dat het van algemene bekendheid is dat zussen sedert 1990 samenwonen en gemeenschappelijke huishouding voeren.

Het voeren van een gemeenschappelijke huishouding tussen de zussen wordt bewezen. Zowel de mutualiteitsbijdragen van X en Y gaan van de bankrekening van de decujus X, alsook de onroerende voorheffing van het huis van Y en de premies van de familiale verzekering. Hoewel deze voorgelegde rekeninguittreksels dateren van 3 jaar voor het overlijden van X is bewezen door voorlegging van voormelde facturen dat de feitelijke samenwoning reeds dateerde van die periode en dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat het voeren van een gemeenschappelijke huishouding zou gestopt zijn in het jaar vóór het overlijden van decujus.

De gegevens die blijken uit de rekeninguittreksels en de verklaringen op eed vormen gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens, op basis waarvan het voeren van een gemeenschappelijke huishouding bewezen wordt.