Belasting

Erfbelasting

Artikel

art. 126 W. Succ. (boete verzuim tegenwoordig art. 3.18.0.0.7 VCF) en art. 11 KB 31.03.1936 (niet opgenomen in VCF)

Voorwerp betwisting

Boete verzuim – verhoging met 50% bij invordering via dwangbevel

Rechtbank of Hof

Hof van Cassatie

Plaats

/

Rolnummer

F.14.0179.N

Datum uitspraak

10/03/2016

Status

Doorverwijzing naar Hof van Beroep Antwerpen

 

Samenvatting

 

1. Feiten

De levensverzekeringspolis die werd aangegaan door de overledene mevr. X. met als begunstigden de wettige erfgenamen werd niet aangegeven in de oorspronkelijke aangifte van nalatenschap van mevr. X.

Nadat de ontvanger van het registratiekantoor een uitnodiging tot het indienen van een bijvoeglijke aangifte ter herstel van het verzuim had verstuurd werd een bijvoeglijke aangifte ingediend.

De erfgenamen vroegen om kwijtschelding van de boete verzuim opgelegd op basis van art. 126 W. Succ. (tegenwoordig art. 3.18.0.0.7 VCF).

Het verzoek tot kwijtschelding werd geweigerd door de gewestelijk directeur. Naderhand werd door de erfgenamen nogmaals een verzoek tot kwijtschelding ingediend bij het hoofdbestuur van de Patrimoniumdocumentatie. Het verzoek werd niet ingewilligd.

De erfgenamen betaalden de verschuldigde successierechten en intresten. De boete wegens verzuim van de levensverzekering werd niet vereffend.

Om de verjaring te stuiten ging de ontvanger over tot de betekening van een dwangbevel. Ingevolge de betekening werd de boete verzuim verhoogd met 50% (toepassing art. 11 KB van 31 maart 1936, geen tegenhanger in VCF).

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank eerste aanleg Brugge werd door de erfgenamen verzet aangetekend tegen het dwangbevel.

 

2. Vonnis Rechtbank Eerste Aanleg te Brugge dd. 05.12.2011

De rechtbank van eerste aanleg te Brugge oordeelde dat uit de voorgelegde stukken blijkt dat de erfgenamen op de hoogte waren van het bestaan van de levensverzekering op het ogenblik dat de indieningstermijn verstreek. Er is in hoofde van de erfgenamen geen sprake van overmacht of een onoverkomelijke dwaling in de zin van art. 131 W. Succ.

De rechter verminderde evenwel de door de administratie wettelijk opgelegde boetes.

De Belgische staat tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis.

 

3. Arrest Hof van Beroep Gent dd. 25.06.2013

Het Hof van Beroep te Gent bevestigt het vonnis van de rechtbank Brugge en oordeelt bijkomend dat de verminderde boete niet wettig ingevolge art. 11 van het KB van 31 maart 1936 werd verhoogd met 50%:

‘Voorts werd de verminderde boete ingevolge artikel 11 van het KB van 31 maart 1936 verhoogd met 50%. De verweerders betwisten zulks omdat deze verhoging een belemmering vormt voor de toegang tot de rechter. Volgens eiser is de verhoging van de geldboete met 50% volstrekt wettelijk.

Het kan niet anders dan dat het opleggen van een boete van 50% de toegang tot de rechter bemoeilijkt, zo niet verhindert. Dat is het geval indien de boete niet onmiddellijk betaald wordt of de belastingplichtige het aandurft de boete te betwisten. Het fundamenteel recht op toegang tot een rechtelijke instantie verzet zich tegen de verhoging met 50%. Dit onderdeel is dan ook gegrond.’

Er werd door de FOD Financiën een voorziening tot cassatie ingediend omdat de rechter zijn beslissing om geen verhoogde geldboete van 50% op te leggen niet regelmatig met redenen heeft omkleed (schending van artikel 149 G.W.).

 

4. Arrest Hof van Cassatie dd. 10.03.2016

Bij arrest dd. 10.03.2016 vernietigt het Hof van Cassatie het arrest van het Hof van Beroep te Gent en verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen.

Het Hof oordeelt in zijn arrest

‘De appelrechters oordelen dat het niet anders kan dat het opleggen van een boete van 50% de toegang tot de rechter bemoeilijkt, zo niet verhindert. Dat is het geval indien de boete niet onmiddellijk betaald wordt of de belastingplichtige het aandurft de boete te betwisten. Het fundamenteel recht op toegang tot een rechtelijke instantie verzet zich tegen de verhoging met 50%.

Door aldus te oordelen, zonder na te gaan of de verweerders in de concrete omstandigheden voldoende redenen hadden om niet vrijwillig de geldboete te betalen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.’