Belasting

Erfbelasting

Artikel

Artikel 41, tweede lid W.Succ. (thans art. 3.3.1.0.7 VCF)

Voorwerp betwisting

Aangifte van nalatenschap vormt definitieve heffingstitel

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Antwerpen

Rolnummer

2015/AR/940

Datum uitspraak

13/12/2016

Status

Definitief

 

Samenvatting

Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft bij arrest van 13 december 2016 bevestigd dat eens de verbeterings- of indieningstermijn is verstreken, de aangifte van nalatenschap een definitieve heffingstitel uitmaakt (artikel 41, tweede lid W.Succ. (thans art. 3.3.1.0.7 VCF)).

De betwisting had betrekking op de verschuldigde successierechten, de boete wegens laattijdige indiening en de intresten berekend op basis van de door mevrouw G. ingediende aangifte van nalatenschap.

Mevrouw G. betwistte dat zij gehouden is tot de sommen vermeld in het dwangschrift omdat zij de nalatenschap had verworpen en niet kon aangesproken worden als algemene legataris, noch als legataris ten algemene titel aangezien zij slechts een bijzondere legataris was.

In hoger beroep werd ook verwezen naar het ontwerp van vereffening - verdeling opgesteld door notaris D., waaruit blijkt dat aan mevrouw G. geen gelden kunnen uitgekeerd worden.

Op grond van artikel 845 BW kan de erfgenaam die de nalatenschap verwerpt de hem gedane gift onder de levenden behouden of het hem gemaakte legaat opeisen, ten belope van het beschikbaar gedeelte.

Aldus werd door mevrouw G. voor wat haar erfdeel betreft, een aangifte van nalatenschap ingediend. Onder aan de aangifte stelt zij de aangifte te doen "in haar hoedanigheid van legataris ten algemene titel, om te voldoen aan haar fiscale verplichtingen en onder voorbehoud van haar optierecht op burgerlijk vlak, zodat geen enkel element van deze aangifte kan ingeroepen worden door derden buiten deze context."

Het Hof oordeelde dat krachtens artikel 41, tweede lid W.Succ. de aangifte van nalatenschap een definitieve titel vormt voor de heffing van de successierechten van zodra de indieningstermijn is verstreken.

De successierechten zijn een belasting die de overdracht van erfelijke goederen beoogt. De opeisbaarheid ervan hangt niet af van de verdeling of de effectieve in bezit name van de goederen. De erfgenamen kunnen de betaling van de successierechten dan ook niet weigeren onder het voorwendsel dat deze rechten niet kunnen geheven worden op hun eigen patrimonium zolang dit zich niet heeft verrijkt met het deel van de erfenis dat hen toekomt.

Zoals de eerste rechter terecht heeft geoordeeld, heeft mevrouw G. dus zelf in haar aangifte van nalatenschap bepaald over welke grondslag de successierechten dienen geheven te worden. Aangezien deze aangifte definitief is, kunnen geen wijzigingen meer aangebracht worden aan deze ingediende aangifte (artikel 41, 2de lid W.Succ. a contrario).

Uit de door de banken overgemaakte stukken blijkt trouwens dat de in de aangifte opgenomen bedragen de tegoeden op datum van het overlijden weergeven.

De erfgenamen zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de verschuldigde successierechten.

De successierechten worden geheven over de door de overledene nagelaten goederen (toestand op datum van het overlijden). Het feit dat er 14 jaar na dat overlijden niets meer zou overblijven van de tegoeden (omwille van kosten gemaakt door de erfgenamen, procedures tussen de erfgenamen omtrent de nalatenschap) heeft geen invloed op de heffing van de successierechten. De administratie moet dan ook geen rekening houden met of opmerkingen maken over een "ontwerp" van vereffening - verdeling.

Het Hof oordeelde bijgevolg dat er geen sprake is van een fout van de administratie. De verschuldigde rechten werden immers berekend op basis van de gegevens die door mevrouw G. werden vermeld in de door haar ingediende aangifte van nalatenschap. Het in de aangifte aangegeven actief stemt volledig overeen met de fiscale lijsten die de banken hebben opgemaakt en waarop de saldi van de bankrekeningen op datum van het overlijden worden opgegeven.