Belasting

Erfbelasting

Artikel

Artikel 8 , lid 6, 3° W.Succ. (huidig artikel 2.7.1.0.6, §2, derde lid VCF).

Voorwerp betwisting

Vrijstelling artikel 8, lid 6, 3° W.Succ. VCF ook voor wettelijke samenwonenden?

Rechtbank of Hof

Rechtbank van Eerste aanleg

Plaats

Antwerpen, afdeling Antwerpen

Rolnummer

15/4022/A

Datum uitspraak

13/01/2017

Status

Definitief

 

Samenvatting

De belastingplichtige woonde wettelijk samen met de overledene.

De erflater schreef een eigenhandig testament waarbij de belastingplichtige werd aangeduid als begunstigde van zijn lopende levensverzekering bij zijn werkgever.

De belastingplichtige verkreeg het bedrag van de groepsverzekering en wilde zich beroepen op de vrijstelling van successierechten voorzien in artikel 8, lid 6, 3° W.Succ. (tegenwoordig artikel 2.7.1.0.6, §2, derde lid VCF).

Normaliter zijn er successierechten verschuldigd op de sommen of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van degene die een levensverzekering aan order of aan toonder is aangegaan. Er is evenwel een vrijstelling voor bepaalde renten en kapitaal die door tussenkomst van de werkgever van de overledene werd gevestigd ten behoeve van de overlevende echtgenoot van de overledene. De belastingplichtige wenste tevens de vrijstelling voor wettelijke samenwonenden.

Met verwijzing naar het arrest dd. 20/09/2012 van het Grondwettelijk Hof dat reeds gesteld heeft dat er geen schending is van de grondwet indien enkel de overlevende echtgenoot, met uitsluiting van de overlevende wettelijk samenwonende het voordeel behoudt van de in artikel 8, lid 6, 3° W.Succ. bedoelde uitzondering, stelt de rechtbank vast dat artikel 8, lid 6, 3° W. SUcc. niet kan worden ingeroepen door BP als wettelijk samenwonende van de overledene en dat deze bepaling geen schending inhoudt van de artikelen 10,11 en 172 van de Grondwet.