Belasting

Erfbelasting

Artikel

Artikel 325 van het decreet van 19 december 2014

Voorwerp betwisting

Werking in de tijd

Rechtbank of Hof

Hof van Cassatie

Plaats

Brussel

Rolnummer

P.160261.N

Datum uitspraak

28/02/2017

Status

Definitief

 

Samenvatting

De belastingplichtigen brengen in een strafzaak voor het Hof van Cassatie een middel aan dat de schending aanvoert van een aantal artikelen van de VCF betreffende de vestiging en inkohiering van de erfbelasting[1].

Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 28 februari 2017 beslist dat de in het middel aangehaalde bepalingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit bij toepassing van artikel 325 van het decreet van 19 december 2014 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in werking getreden zijn op 1 januari 2015.

Bij een wijziging van de fiscale wetgeving zijn de bepalingen van de nieuwe fiscale wet niet van toepassing op rechtshandelingen en toestanden die juridisch voltrokken zijn onder de oude wet.

Uit de telastlegging blijkt dat de erflater is overleden te Gent op 6 november 2007. Het is op dat moment dat de materiële belastingschuld ontstond, op basis van het op dat moment in het Vlaamse Gewest van toepassing zijnde Wetboek Successierechten. Het bewezen verklaarde misdrijf uit de telastlegging was voltrokken op 24 april 2008. De rechtsvoorganger van het Vlaamse Gewest (de Belgische Staat) heeft zich op 20 juni 2012 burgerlijke partij gesteld. Bijgevolg zijn de vermelde bepalingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit niet van toepassing op de vordering van het Vlaamse Gewest tot betaling van schadevergoeding bestaande in de ontdoken rechten.

Het middel kan niet worden aangenomen.

 

[1] Meer bepaald voerden belastingplichtigen de schending aan van de artikelen 2.7.1.0.1, 3.1.0.0.1, 3.2.1.0.1, 3.2.2.0.1, 5.0.0.0.1, eerste lid, 4° en 5.0.0.0.11 VCF en de artikelen 2.7.1.0.1, 5.0.0.0.1, eerste lid, 4° en 5.0.0.0.11 VCF, zoals ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014. In het middel wordt daarnaast ook nog de schending aangevoerd van de artikelen 3 en 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 2, 17 en 18, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek.