Belasting

Erfbelasting

Artikel

Artikel 27, 1° W. Succ.. (tegenwoordig artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1° VCF)

Artikel 33 W. Succ. (tegenwoordig art. 2.7.3.4.4 VCF)

Voorwerp betwisting

Optioneel finaal verrekenbeding

Rechtbank of Hof

Hof van Cassatie

Plaats

Brussel

Rolnummer

F.16.0067.N / F.16.0042.N / F.15.0190.N / F.16.0068.N

Datum uitspraak

24/03/2017

Status

Definitief

 

Samenvatting

Het Hof van Cassatie heeft zich op 24 maart 2017 in vier arresten uitgesproken over het optioneel finaal verrekenbeding, meer bepaald over het feit of de verrekenschuld kan worden opgenomen in het aftrekbaar passief van de nalatenschap van de eerstoverleden echtgenoot. Eén van de vier arresten bevat een wat uitgebreidere motivering.[1]

Het Hof van Cassatie oordeelt dat de verrekenschuld een schuld onder opschortende voorwaarde betreft.

Een toekomstige gebeurtenis kan als een opschortende voorwaarde worden bedongen, ook al is het intreden ervan afhankelijk van de wil van de schuldeiser.

Krachtens artikel 1174 BW is iedere verbintenis nietig wanneer ze is aangegaan onder een potestatieve voorwaarde van de zijde van degene die zich verbindt. Een verbintenis die is aangegaan onder een louter potestatieve voorwaarde van de zijde van de schuldeiser is geldig.

Anders dan bij een alternatieve en facultatieve verbintenis (waarbij er verschillende prestaties zijn en er slechts één moet worden uitgevoerd opdat de schuldeiser bevrijd zou zijn) is het bij een verbintenis onder opschortende voorwaarde onzeker of de schuldenaar uiteindelijk zal moeten presteren. De opeisbaarheid van de verbintenis onder opschortende voorwaarde hangt immers af van de verwezenlijking van de voorwaarde.

Bij de opname van het finaal verrekenbeding in het huwelijkscontract gaan de echtgenoten een verbintenis aan onder de opschortende voorwaarde van hun vooroverlijden en van het lichten van de optie door de langstlevende echtgenoot. Aldus ontstaat de schuld reeds vóór het overlijden maar is zij slechts definitief, bepaald en opeisbaar als de optie wordt gelicht (zijnde na het overlijden). De uitoefening van het optierecht doet de schuld niet ontstaan maar bepaalt de omvang ervan.

 

[1] Cass. 24 maart 2017, F.16.0067.N.