Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 48, §2, zesde lid W. Succ. (thans 2.7.3.5.2 VCF)

Voorwerp betwisting

Regularisatiekost, specifiek passief van de nalatenschap?

Rechtbank of Hof

Rechtbank

Plaats

Gent

Rolnummer

16/387/A

Datum uitspraak

27/04/2017

Status

Definitief

 

Samenvatting

Een erflater diende enkele maanden voor haar overlijden een regularisatieaangifte in met het oog op een fiscale regularisatie overeenkomstig de programmawet van 25/12/2005.

Deze bestond uit twee componenten: enerzijds de regularisatie van twee door de erflater in het verleden aangehouden beleggingsportefeuilles. Anderzijds had de fiscale regularisatie betrekking op in het verleden ontdoken successierechten. De erflater had n.a.v. overlijden van haar vader gelden ontvangen en hiervoor geen successieaangifte ingediend waardoor de wettelijk verschuldigde successierechten werden ontlopen.

Tijdens de regularisatieperiode overlijdt erflater. De kinderen wensten als erfgenamen de opgestarte fiscale regularisatie verder te zetten. Zij stellen dat de beleggingsportefeuilles waren geliquideerd en de bekomen gelden in twee Luxemburgse levensverzekeringen zouden zijn geïnvesteerd.

In de aangifte van nalatenschap van erflater werd onder het passief van de nalatenschap de kost van de fiscale regularisatie opgenomen. Oordelend dat het passief bij voorrang diende te worden toegerekend op de roerende goederen en op de familiale goederen, werd de regularisatie door de toenmalig bevoegde ontvanger van de FOD Financiën aangenomen in het gewoon passief van de nalatenschap.

De kinderen stelden dat de regularisatiekost diende gekwalificeerd te worden als een specifiek roerend passief. Het zijn immers specifieke schulden met betrekking tot het behoud van de levensverzekeringscontracten.

De rechtbank verwees inzake de aanrekeningregels naar art. 48, §2, zesde lid Wb. Succ. (thans 2.7.3.5.2 VCF) met name dat niet –specifieke schulden eerst worden aangerekend op de familiale goederen, vervolgens op de roerende goederen en ten slotte op de onroerende goederen.

De schulden van de overledene en de begrafeniskosten worden in de eerste plaats aangerekend op de waarde van de familiale goederen, en vervolgens op de waarde van de andere goederen tenzij de aangevers bewijzen dat het schulden betreft die specifiek werden aangegaan om andere roerende of onroerende goederen te verwerven en behouden. Indien dit bewijs wordt geleverd kunnen de schulden afgetrokken worden van de categorie van goederen waarop ze betrekking hebben.

De rechtbank stelt dat de totale regularisatiekost bestaat uit de regularisatie voor de beleggingsportefeuilles en de regularisatie voor de ontdoken successierechten. Het is niet afdoende bewezen dat de ‘ontdoken successierechten’ zijn aangewend in de beleggingsportefeuille van erflater en werden geherinvesteerd in de Luxemburgse levensverzekeringen. Er is zo stelt de rechtbank minstens vermenging met de andere gelden op de rekening van erflater zodat de ontdoken gelden uit de nalatenschap van de vader van de erflater niet afdoende identificeerbaar zijn.

Over de herkomst van de gelden inzake de Luxemburgse levensverzekering is al evenmin voldoende zekerheid.

De rechtbank besluit dat de kinderen falen in hun bewijslast om het verband te leggen tussen de schuld en de verwerving of het behoud van het roerend goed.

De regularisatieheffing voor een beleggingsportefeuille bij een buitenlandse bankinstelling werd terecht aanvaard als passief, doch deze belastingschuld kan niet aanzien worden als een specifiek roerend passief dat aangerekend wordt op de desbetreffende levensverzekeringen.

De regularisatieheffing is in feite een belasting die bestaat uit de ontdoken belasting en een boete. Zij volgt de regels van alle andere belastingschulden en de begrafeniskosten bij de aanrekening.