Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 27 W. Succ. thans art. 2.7.3.2.7 VCF/Art. 32 W. Succ. thans art. 2.7.3.4.3 VCF/Artikel 4,1° W. Succ. thans 2.7.1.0.3,1° VCF

Voorwerp betwisting

Passief van de nalatenschap – bewijslast bestaan van schulden, kosten erkend bij uiterste wil

Rechtbank of Hof

Hof van beroep

Plaats

Gent

Rolnummer

2015/AR/2061

Datum uitspraak

06/02/2018 (en 06/12/2016)

Status

Definitief

 

Samenvatting

 

Het geschil betreft de al dan niet aftrekbaarheid van passiefposten in de nalatenschap van de erflater. Over de eerste passiefkost was geen discussie meer.

Passiefpost 2 heeft betrekking op een schuldverklaring in het authentiek testament van erflater ten aanzien van de belastingplichtige. Volgens deze verklaring zou de belastingplichtige tot beloop van deze som verbeteringswerken in verschillende onroerende goederen van de erflater uitgevoerd hebben zonder dat deze door haar ooit betaald werden. Deze passiefpost werd door de administratie verworpen. Het Hof van Beroep te Gent stelt in een tussenarrest van 6 december 2016 vast dat de belastingplichtige wel degelijk voldoet aan die bewijslast. De belastingplichtige legt de nodige stukken voor die bewijzen dat hij in de loop der jaren aan verschillende huizen die in de betreffende nalatenschap vielen, werken heeft laten uitvoeren die aan hem (en zijn echtgenote) zijn gefactureerd. De belastingplichtige moet niet bewijzen dat de werken werden uitgevoerd in opdracht van de erflater (zijn moeder). Die voorwaarde staat niet vermeld in artikel 33 W. Succ (thans 2.7.3.4.4 VCF), noch in enige andere wetsbepaling. Het feit op zich dat de erflater in haar testament uitdrukkelijk erkent dat ze het bedrag niet heeft 'terugbetaald', bevestigt hoe dan ook dat ze ermee akkoord ging dat de appellant ze te haren behoeve (namelijk in het voordeel van de onroerende goederen) gemaakt heeft en in wezen voor rekening werden gemaakt.

Passiefpost 3 heeft betrekking op een factuur d.d. 30/04/2004 die betrekking had op het nazicht, herstelling en vervanging van de elektriciteitsvoorziening in een woning die eigendom is van de erflater. De factuur werd verworpen wegens gebrek aan bewijs.

De belastingplichtige houdt voor dat de gefactureerde werken wel degelijk werden uitgevoerd vóór de datum van overlijden van de erflater (zijnde 29 september 2003). Hiervoor legt de belastingplichtige bijkomend aan de betwiste factuur de offerte van 1 augustus 2002 voor.

De vraag bij passiefpost 3 die hier aan de orde is, is te weten of het bewezen is dat de werken die door de firma (pas) 7 maand na het overlijden van de erflater werden gefactureerd al uitgevoerd waren op het moment dat de erflater overleden was. Alvorens na te gaan of de belastingplichtige afdoende het vereiste bewijs levert, stelt het hof zich nochtans de vraag of het niet relevant is te weten wanneer de betreffende factuur aan de firma betaald werd. Daarom werden de debatten heropend. De belastingplichtige kan van de betaling evenwel geen bewijzen voorleggen. De belastingplichtige probeert vervolgens met getuigenverklaringen te bewijzen dat de werken reeds werden uitgevoerd vóór het overlijden doch deze getuigenverklaringen zijn weinig betrouwbaar en worden niet aanvaard.