Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 2.7.1.0.5, §1 VCF

Voorwerp betwisting

Begrip kosteloze beschikking versus schenking

Rechtbank of Hof

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen

Plaats

Afdeling Gent

Rolnummer

17/1253/A

Datum uitspraak

26/06/2018

Status

Definitief

 

Samenvatting

Belastingplichtige is schoondochter van erflater.

De man van belastingplichtige (zoon van erflater) dient een aangifte van nalatenschap in met in de aangifte een niet-geregistreerde schenking onder opschortende voorwaarde of termijn van 69.200 euro aan hemzelf dd. 14/10/2013.

In de aangifte wordt vermeld dat op dat moment een bedrag van 94.000 euro uitgeleend werd aan zoon en belastingplichtige, dit bedrag komt voort van de verkoop van een woning.

Van de uitgeleende som mocht de huur worden afgetrokken (door de erflater verschuldigd aan de zoon en schoondochter) van een appartement hetgeen resulteert in een openstaande lening van 69.200 euro.

De zoon van erflater kreeg een aanslagbiljet met daarin in de belastbare massa opgenomen:

de helft van dit bedrag (zijnde 69.200 euro/2= 34.600 euro) ingevolge art. 2.7.1.0.5 VCF.

Eveneens kreeg belastingplichtige een aanslagbiljet omdat zij op basis van art. 2.7.1.0.5 VCF geacht werd een bedrag van 34.600 euro te hebben verkregen.

Belastingplichtige en haar man tekenden bezwaar aan tegen de aanslag gevestigd in hoofde van belastingplichtige en stelden dat het bedrag van 94.000 euro geen schenking betrof maar een lening. Het bezwaar werd afgewezen en ze richtten zich tot de rechtbank middels een verzoekschrift.

De rechtbank stelt dat het wettelijk vermoeden opgenomen in artikel 2.7.1.0.5, 1§ VCF als gevolg waarvan de goederen waarover kosteloos werd beschikt geacht worden nog in het patrimonium van de overledene aanwezig te zijn, van toepassing is indien de administratie het bewijs van de kosteloze beschikking binnen de termijn van 3 jaar voor het overlijden levert.

Deze kosteloze beschikking kan in hoofde van een bepaalde persoon worden belast indien de administratie (of de erfgenamen en legatarissen) aantoont wie diegene was die bevoordeeld werd. Indien dit bewijs wordt geleverd is het nettobedrag van de bevoordeling in hoofde van deze persoon, die wettelijk als legataris wordt beschouwd.

Het begrip ‘kosteloze beschikking’ gehanteerd in 2.7.1.0.5, §1 VCF is niet beperkt tot louter schenkingen. Het volstaat te bewijzen dat er geen economisch evenwichtige prestatie werd geleverd door de begunstigde van de kosteloze beschikking. Enige animus donandi, hetgeen vereist is voor een schenking, moet niet worden aangetoond. De artikelen van het Burgerlijk Wetboek betreffende een schenking zijn niet noodzakelijk van toepassing.

De rechtbank oordeelt dat het vast staat dat erflater binnen de drie jaar voor haar overlijden kosteloos heeft beschikt over 69.200 euro ten voordele van haar zoon en belastingplichtige. Er is geen economisch evenwichtige tegenprestatie geleverd aan erflater door belastingplichtige en haar man. Het bedrag werd trouwens door de zoon zelf aangegeven als schenking (en niet als vordering voortspruitende uit een lening) in de aangifte.

Het document opgemaakt op 14/10/2013 wordt door belastingplichtige ten onrechte als een lening bestempeld.

Uit dat document blijkt immers geen enkele terugbetalingsplicht na het overlijden van erflater. De voorwaarden waaronder het geld werd overgemaakt vinden slechts toepassing tijdens het leven van erflater. Na haar overlijden is er geen enkele terugbetalingsverplichting meer en blijft het resterend gegeven bedrag ter beschikking van belastingplichtige en haar man. De verrichting kwalificeert zich niet als een lening doch wel als schenking onder last.

De vraag stelt zich dan of dit bedrag deels toekwam aan de belastingplichtige. De rechtbank is samen met Vlabel van oordeel dat dit het geval was. Zowel de belastingplichtige als haar man hebben het document ondertekend. In dit document bevestigt erflater uitdrukkelijk dat zij bedrag aan beiden heeft uitgeleend en dat ze er beiden mogen over beschikken. Dat de gelden werden overgemaakt op een rekening die enkel op naam van de zoon van de belastingplichtige staat doet hier geen afbreuk aan.

De aanslag werd terecht en in overeenstemming met de wettelijke bepalingen gevestigd in hoofde van de schoondochter. De vordering van de belastingplichtige wordt afgewezen als ongegrond.