Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 2.7.3.2.12 VCF

Voorwerp betwisting

Abattement gehandicapte personen

Rechtbank of Hof

Hof van beroep

Plaats

Gent

Rolnummer

2018/AR/1104

Datum uitspraak

25/09/2018

Status

Definitief

 

Samenvatting

Twee zussen erven van hun moeder. Eén van beiden is gehandicapt en verkrijgt in een eerste aanslagbiljet de vermindering van art. 2.7.3.2.12 VCF, met name een abattement van 33.000 euro (11 x 3.000).

Daarna wordt een tweede aangifte ingediend, waar men een tekortschatting aangeeft van een onroerend goed. Dit was gewaardeerd op €90.000, maar dat moest €120.000 zijn. Een tweede aanslagbiljet wordt verstuurd, met een correcte herberekening van de verschuldigde rechten, opnieuw rekening houdend met het abattement wegens handicap. De belastingplichtige dient eerst een bezwaarschrift en daarna een verzoekschrift bij de rechtbank in tegen de bezwaarbeslissing.

Het geschil betreft de berekening van de erfbelasting, in het bijzonder de vermindering van de erfbelasting ten gunste van een gehandicapte persoon.

De belastingplichtige heeft gevraagd om een abattement toe te passen voor een bedrag van 33.000,00 euro en wel op die manier dat de erfbelasting op het onroerend aandeel 3% op 27.000,00 euro moet berekend worden, hetzij 810,00 euro.

Er is geen betwisting tussen partijen dat de eiseres recht heeft op een vrijstelling overeenkomstig artikel 2.7.3.2.12 VCF. De betwisting beperkt zich tot de berekening van de vrijstelling, waarbij evenmin wordt betwist dat de vrijstelling vooreerst moet worden toegerekend op het netto onroerend erfdeel (artikel 2.7.3.2.12, §2, lid 1 VCF).

In hoofde van de belastingplichtige moet de erfbelasting worden berekend overeenkomstig het tarief geldend voor een verkrijging in rechte lijn en tussen partners (TABEL 1 van artikel 2.7.4.1.1. VCF). Dit is in de schijf van 0,01 tot 50.000,00 euro: 3% en in de schijf van 50.000,01 euro tot 250.000,00 euro: 9%.

Het 'cijfer' (leeftijdscoëfficiënt) aangeduid in artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 5° VCF is, gezien de belastingplichtige de leeftijd van 57 jaar had, gelijk aan 11. Het abattement is dus (3.000 euro x 11 =) 33.000 euro.

Artikel 2.7.3.2.12., §1, VCF stelt dat het abattement toegepast wordt op hetgeen een gehandicapte persoon verkrijgt.

De eerste rechter heeft de belastingplichtige ten onrechte gevolgd in haar stelling dat dit zou betekenen dat het abattement in mindering moet worden gebracht door het gewoon af te trekken van het totaalbedrag van het belastbaar netto onroerend erfdeel.

Zoals VLABEL met reden aanvoert, is een abattement een 'voetvrijstelling'. Het bedrag van het abattement komt in mindering 'onderaan' de belastbare basis. De techniek van het abattement heeft als kenmerk dat, voor al wie in dezelfde erfverhouding staat en dus aan dezelfde tariefschaal onderworpen is, het bedrag aan belasting dat wordt vrijgesteld, gelijk is. In de zienswijze van de belastingplichtige, ten onrechte gevolgd door de eerste rechter, zou het abattement een hogere vrijstelling met zich brengen voor wie een hoger vermogen erft, dit gelet op het oplopend karakter van de tariefschalen. Dat is niet wat de wet beoogt.

De berekening zoals door VLABEL gemaakt met de bestreden aanslag als uitkomst - nogmaals verduidelijkt in de beroepsakte - is correct. De vordering van de belastingplichtige is dan ook ongegrond en het hoger beroep van VLABEL gegrond.