Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 2.7.1.0.6 en 2.7.3.2.8 VCF

Voorwerp betwisting

Erfbelasting op aangroei van de waarde tussen het ogenblik van de schenking en dat van de effectieve verrijking van de begunstigde van levensverzekeringsprestaties

Rechtbank of Hof

Grondwettelijk Hof

Plaats

 

Rolnummer

6705

Datum uitspraak

28 februari 2019

Status

Definitief

 

Samenvatting

Het Grondwettelijk Hof heeft op 28 februari 2019 het beroep tot vernietiging verworpen tegen de artikelen 34 en 35 van het Vlaamse decreet van 23 december 2016 houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen (wijziging van de artikelen 2.7.1.0.6 en 2.7.3.2.8 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013). Dit beroep werd ingesteld door de beroepsvereniging Assuralia.

Wat betreft de bevoegdheid

B.8.2. Door uit te sluiten dat de schenking van een levensverzekeringspolis aan de begunstigde van de levensverzekeringsuitkering tot gevolg heeft dat de levensverzekeringsuitkering niet meer wordt gelijkgesteld met een som die als legaat wordt verkregen van de erflater, heeft de decreetgever de draagwijdte gepreciseerd van de fictie die reeds was gecreëerd in het fiscale erfrecht wanneer een levensverzekeringsuitkering wordt betaald naar aanleiding van het overlijden van de verzekerde.

Ondanks de schenking wordt de verzekeringsuitkering nog steeds verkregen naar aanleiding van het overlijden van de verzekeringnemer. De decreetgever bepaalt dat zij een goed vormt dat wordt overgedragen ingevolge het overlijden. De precisering door de decreetgever valt dus wel degelijk binnen de belastbare materie die hem door de voormelde bijzondere wet is toegewezen.

B.8.3. Wanneer de schenking van een levensverzekeringsovereenkomst wordt onderworpen aan het fiscale recht op de schenking, is de grondslag van die belasting de waarde van de overeenkomst op het ogenblik van de schenking, dat wil zeggen de afkoopwaarde ervan bij een vroegtijdige opzegging door de verzekeringnemer. Door te beslissen dat de grondslag van het successierecht op de levensverzekeringsuitkering wordt verminderd met het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de berekening van de schenkbelasting waarvoor de decreetgever ook bevoegd is (artikel 3, eerste lid, 8°, van de bijzondere financieringswet), preciseert de decreetgever de grondslag van het fiscale successierecht.

B.9. Aldus hebben de bestreden bepalingen betrekking op de heffingsgrondslag van de erfbelasting en behoren ze tot de bevoegdheid van de gewesten op grond van artikel 4, §1, van de bijzondere financieringswet.

B.10. Wat betreft het subsidiaire argument dat is afgeleid uit de schending van het evenredigheidsbeginsel, wordt niet aangetoond dat de decreetgever de uitoefening, door de federale wetgever, van diens eigen bevoegdheden overdreven moeilijk maakt.

Het eerste middel is niet gegrond.

Wat betreft de vermeende schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet

B.13.1. Uit artikel 2.7.1.0.5 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 volgt dat er bij een schenking van goederen (bijvoorbeeld geld, aandelen of een schilderij) in beginsel geen erfbelasting verschuldigd is indien de schenker nog minstens drie jaar na de schenking in leven blijft, dan wel indien op die schenking schenkbelasting werd betaald, en die belasting evenmin verschuldigd is op de aangroei van de waarde van het goed tussen het moment van de schenking en van het overlijden.

B.13.2. Ingevolge artikel 2.7.1.0.6 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 zijn bij een schenking van een levensverzekering de verkregen verzekeringsprestaties daarentegen in beginsel wel aan erfbelasting onderworpen, zelfs indien er schenkbelasting werd betaald op de schenking van de levensverzekering of indien de schenker nog minstens drie jaar na de schenking in leven is gebleven.

Indien er schenkbelasting werd betaald, wordt overeenkomstig artikel 2.7.3.2.8 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 de belastbare grondslag in de erfbelasting enkel verminderd met die waarop schenkbelasting werd geheven. De heffingsgrondslag inzake de gift van een levensverzekering is de afkoopwaarde ervan, met andere woorden de uitkering die de verzekeringnemer verkrijgt bij het vroegtijdig beëindigen van de levensverzekering.

Die bepalingen hebben gezamenlijk tot gevolg dat door de begunstigde-belastingplichtige op de aangroei van de waarde van een levensverzekering in tegenstelling tot die van andere goederen, tussen het moment van overlijden van de erflater-schenker-verzekerde en het moment van de schenking van de verzekeringspolis aan de begunstigde ervan, erfbelasting verschuldigd is.

Het is dat verschil in behandeling tussen de belastingplichtigen-begunstigden waarover het Hof zich dient uit te spreken.

B.14. De specifieke aard van het voorwerp van de schenking dient te dezen in acht te worden genomen. De specifieke aard van een beleggingsproduct brengt met zich mee dat het voorwerp van de schenking ook na de schenking nog een voordeel blijft opbrengen dat de afkoopwaarde overstijgt, zelfs zonder dat de begunstigde van de schenking als verzekeringnemer zelf enige prestaties levert.

Zo verkrijgt de begiftigde van de schenking op het moment van de schenking de rechten uit de rechtsverhouding van de initiële verzekeringnemer waaronder het afkooprecht en het recht van aanduiding of wijziging van een begunstigde. Voor de overdracht van die verzekeringsrechten wordt, indien die aan de schenkbelasting wordt onderworpen, de afkoopwaarde van de verzekeringsovereenkomst in aanmerking genomen. Die afkoopwaarde stemt overeen met het bedrag dat de verzekeringnemer wordt uitbetaald bij het vroegtijdig beëindigen van de overeenkomst.

De begunstigde van de levensverzekeringsovereenkomst verkrijgt pas bij het overlijden van de erflater-verzekeringnemer de prestaties, die voortvloeien uit de rechtsverhouding met de verzekeraar.

Gelet op de in B.3.6 vermelde door de decreetgever nagestreefde doelstellingen van gelijkheid, billijkheid en redelijkheid bij het onderwerpen van levensverzekeringsprestaties aan de erfbelasting is het niet zonder redelijke verantwoording dat de aangroei van de waarde tussen het ogenblik van de schenking en dat van de effectieve verrijking van de begunstigde van levensverzekeringsprestaties wordt onderworpen aan de erfbelasting.

B.15. De bestreden bepalingen zijn derhalve niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Het tweede middel is niet gegrond.